Warmte uit samenwerking

| 8 april 2021

Warmte uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) of drinkwater (TED), aquathermie genaamd, kan een belangrijke bijdrage leveren aan de warmtetransitie. Het economisch potentieel van TEO ligt boven de 40 procent van de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving in 2050. De bijdragen van TEA en TED zijn aanzienlijk lager, maar zeker betekenisvol, bijvoorbeeld in de nabijheid van een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Door Henk Puylaert (H2Ruimte), Jitske van Popering-Verkerk (GovernEUR) en Marijn Stouten (GovernEUR)

Een aantal aquathermieprojecten is operationeel. Veelal eenvoudige projecten waarbij één bron één afnemer, bijvoorbeeld een zwembad, van warmte voorziet. De potentie van aquathermie komt steeds meer in beeld. Op diverse plaatsen in het land zijn projecten in verschillende fasen van ontwikkeling. Dit zijn vooral nieuwbouwprojecten waar warmte van lage temperatuur volstaat voor de ruimteverwarming. Nieuwbouwwoningen kennen sinds enkele jaren geen aansluitplicht voor aardgas meer. Ook is ruimtelijke inpassing van een netwerk meestal eenvoudiger en daardoor goedkoper dan in bestaand bebouwd gebied. Bij de laatste lichting projecten voor het Programma aardgasvrije wijken, proeftuinen met een bijdrage van de rijksoverheid, zitten enkele aquathermieprojecten voor bestaande wijken met redelijk geïsoleerde woningen.

Aquathermie bevindt zich aan het einde van de pioniersfase

In opdracht van de Unie van Waterschappen en STOWA hebben GovernEUR en H2Ruimte een verkenning verricht naar de governance van aquathermie. Diverse interviews met overheden, bedrijven, bewonersorganisaties en analyses van projecten bieden inzicht in de basisbestanddelen van het ideale aquathermieproject: stevige aansturing in planontwikkeling en uitvoering om tempo te maken in de warmtetransitie, veel draagvlak bij bewoners, opbrengsten blijven voor een groot deel binnen het gebied en belangen en aanwezige voorzieningen worden slim gekoppeld.

Aquathermie bevindt zich aan het einde van de pioniersfase. Een aantal dilemma’s maakt de realisatie van het ideaalbeeld complex:

  • Maatwerk ontwerp versus organisch groeien: aquathermiesystemen vergen een forse investering die meestal op de maat ‘anno nu’ is ontworpen en nauwelijks aanpasbaar zijn, terwijl de omgeving in velerlei opzichten dynamisch is (beleid, techniek, participatie, vraag en aanbod, et cetera).
  • Monofunctioneel versus multifunctioneel: aquathermieprojecten worden monofunctioneel ontwikkeld door een kleine groep betrokkenen. Dat is al een enorm lastige klus. Echter, in de drukke bovengrondse en ondergrondse ruimte is juist behoefte aan multifunctionaliteit en het koppelen van belangen en opgaven in projecten met een meervoudig doel.
  • Daadkracht versus draagvlak: de druk van de klimaatdoelen voor 2030 vraagt op korte termijn om ‘daadkracht’ en daarbij passend instrumentarium. Dit kan op gespannen voet staan met kansrijke mogelijkheden met meerwaarde op lange termijn, die op meer ‘draagvlak’ kunnen rekenen. Daadkracht en participatie van bewoners is meestal geen goede match, terwijl de samenleving wel die betrokkenheid vraagt. Bovendien is die (mede)bepalend voor het succes van een project.   
  • Publiek versus privaat: kennis van marktpartijen (publieke en commerciële warmtebedrijven) is al vroeg in het proces onmisbaar voor initiatieven van bewoners en overheden maar kan, mits niet transparant georganiseerd, op gespannen voet staan met regels over marktwerking, aanbesteding en voorkennis.

‘Zonder gedreven doeners, die door vallen en opstaan de weg effenen komt het ideaalbeeld niet dichterbij’

Deze dilemma’s gelden niet alleen voor aquathermieprojecten maar voor veel warmteprojecten. Zonder gedreven doeners, die door vallen en opstaan de weg effenen komt het ideaalbeeld niet dichterbij. Blijven experimenteren, zoals in het Programma aardgasvrije wijken, is nodig. Elk warmteproject is anders mede omdat de ruimtelijke onderlegger sterk verschilt (nieuwbouw/bestaand, dichtheid, eigendom, afstand tot de bron, mogelijke bronnen, drukte in de ondergrond, combinatie met andere opgaven, etc.).

Dat vraagt om een grote vrijheid voor gemeenten en betrokken partners om op maat de warmtevoorziening te kunnen inrichten. Gewenst is dat gelijktijdig institutioneel leren plaatsvindt, waarbij beleid, strategie, en wet- en regelgeving meegroeien met de ervaringen in aquathermieprojecten. De beoogde vrijheid voor gemeenten om situationeel te kunnen handelen staat echter op gespannen voet met de ideeën in de Warmtewet 2. Deze zet in op grote warmtenetten voor grote kavels waarbij participatie op de achtergrond blijft. Zonder steun en betrokkenheid van de eindgebruiker is de warmtetransitie gedoemd om te mislukken. Laten we gaan voor “warmte uit samenwerking”.   

Download rapport “Warmte uit samenwerking, verkenning naar de governance van aquathermie