Wees realistisch met de Omgevingswet: ‘Vallen en opstaan horen erbij’

| 28 oktober 2021

Blijf samen oefenen, wees niet bang om fouten te maken, want de nieuwe wetgeving is complex genoeg. Focus op wat goed gaat. Leer van wat beter moet. Die boodschap geven twee omgevingsdienstdirecteuren mee aan iedereen bij de overheid en daarbuiten die aan de slag is of gaat met de nieuwe wetgeving. Het zal volgend jaar, als de wet eindelijk van kracht wordt, niet meteen altijd en overal goed gaan, weten zij nu al. ‘We moeten een keer te water. Dan merken we snel genoeg wat er anders moet. En laten we vooral níet na een jaar al evalueren hoe het gaat. Deze enorme exercitie heeft tijd nodig.’

Door Marcel Bayer. Dit artikel staat in ROm 10, oktober 2021. ROm is het maandelijkse vakmagazine voor de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren in dat domein. Neem een thuisabonnement.

 ‘De verwachting dat alles met de komst van de Omgevingswet meteen mooier en beter wordt, is niet realistisch’, stelt Christiaan van der Kamp. Sinds 1 september is hij directeur en secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Haaglanden. Daarvoor was hij tien jaar burgemeester van Bodegraven-Reeuwijk en voorzitter van het algemeen en dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Midden-Holland. Minder hosanna, mag best van hem. ‘Het aantal regels is niet echt afgenomen. En de omvang van de AMvB’s (Algemene Maategel van Bestuur, red.) en de bruidsschat is niet kinderachtig. De Omgevingswet is geen klein dingetje. Het is een majeure operatie. En die pakken we op zijn Nederlands aan: zo goedkoop mogelijk, traag, en we doen weinig aan toetsing vooraf.’

Natuurlijk zijn er experimenten volgens de Crisis- en herstelwet, maar die vindt hij wat mager. ‘Die verkorten feitelijk alleen de juridische procedures en zorgen dat hier en daar geen vergunning meer nodig is. Het oefenen had wat mij betreft veel groter gemogen. Een jaar of vijf was nuttig geweest. Dan kun je vanuit die ervaring verder. Feit is dat we het er nu mee moeten doen. Dat is niet erg, zolang we accepteren dat het dan oefenen in de praktijk wordt. Met vallen en opstaan en hiervan leren.’

Geen one size fits all

André Mutter, al bijna tien jaar directeur van de Omgevingsdienst Midden-Holland, benadrukt de positieve houding die hij tegenkomt bij gemeenten en omgevingsdiensten. Ook nadat onlangs bekend werd dat de inwerkingtredingsdatum wederom naar achter was verschoven. Mutter: ‘Er hangt een sfeer van ‘dit lukt ons!’. De bevoegde gezagen willen aan de slag. Met alleen droog oefenen kom je er niet. Het wordt tijd om te water te gaan.’

‘Met alleen droog oefenen kom je er niet. Het wordt tijd om te water te gaan’

Eerst maar eens het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Van der Kamp benadrukt hoe de eigen digitale omgeving van gemeenten en regio’s goed op orde is. Nu komt daar een centraal digitaal stelsel overheen te hangen, waarvan de werking moet worden bewezen. ‘Ik zou het Rijk vooral willen oproepen om het simpel te houden met het DSO. En om iedereen de tijd te gunnen ermee te leren werken. Bij de Omgevingsdienst Midden-Holland hebben ze veel ervaring met hun eigen stelsel, in andere regio’s zie je dat ook. Ieder heeft zijn eigen manier gevonden en die werkt. Je moet niet alles door één ICT-mal willen drukken.’

Mutter: ‘Ik zie het DSO als de voorkant van het systeem. Aan de achterkant heeft iedere regio zijn eigen basisautomatisering, die blijvend wordt gebruikt. Wij hebben daar jaren in geïnvesteerd, we weten hoe het werkt, en het is in iedere regio weer net wat anders. Dat is logisch en dat stoort de gebruikers allerminst. Ik geloof in de gemene deler, in een gemeenschappelijke visie op ICT. Maar laten we niet te megalomaan worden. Als we het gebruik van het DSO schaalbaar maken, met behoud van ieders eigen mogelijkheden en respect voor ieders investeringen in de eigen automatisering, heeft het stelsel de meeste kans van slagen. Een DSO met een zachte start.’

Extra middelen

Er moet geld bij om de invoering van de Omgevingswet behoorlijk te laten landen bij gemeenten en omgevingsdiensten, vinden beide directeuren. Mutter: ‘Ik heb bij mijn dienst de financiën netjes op orde, al jaren. Mij zal je niet snel horen zeggen dat er geld bij moet. Maar hier is dat echt nodig om het te laten werken.’

‘Je moet begrijpen dat de bevoegde gezagen hier niet voor worden ‘vrijgemaakt’. De invoering van zo’n wet, met alles wat erbij komt kijken, komt boven op de bestaande werkzaamheden. Dan moet het ergens vandaan komen’, meent Van der Kamp. Daarmee slaat hij meteen een brug naar het aspect capaciteit. ‘Er is geen tijd vrijgemaakt om met de Omgevingswet te oefenen. Als gemeenten hebben we ons reguliere werk. En dit moeten we erbij doen. Ik zie gemeenten daarmee worstelen. En ik zie omgevingsdiensten die proberen te faciliteren. Grensontkennend samenwerken is op zich een mooie ontwikkeling, maar voor veel ambtenaren wel nieuw. En het kost tijd om de nieuwe werkwijze aan te leren en er je weg in te vinden. Voor zo’n majeure operatie is extra menskracht nodig. Neem het voorbeeld van de pandemie, waarbij van de GGD’en ineens enorm veel extra wordt gevraagd. Diezelfde GGD’en zijn daarvóór tot op het bot afgekloven. Gemeenten moeten het ook met steeds minder mensen doen. En dat maakt ons kwetsbaarder dan nodig.’

‘Grensontkennend samenwerken is op zich een mooie ontwikkeling, maar voor veel ambtenaren wel nieuw’

Van der Kamp zou graag zien dat het ministerie van BZK meer de rol van verbinder op zich neemt in de aanloop naar de invoering van de Omgevingswet.

Goede voorbeelden

Ondanks de zorgen is er van louter negatieve sentimenten absoluut geen sprake, benadrukt Mutter. ‘Mensen zijn altijd geneigd om de kritiekpunten te bespreken. Maar laten we naar de positieve kanten kijken. Moderne ambtenaren luisteren naar wat er speelt in de maatschappij en de Omgevingswet faciliteert dat. Die zegt: stop met de wereld besturen van achter je bureau. We werken voor de publieke zaak, niet voor onszelf. In die geest gaan ook al veel dingen goed.’

Van der Kamp haalt in dit verband het rapport van de commissie-Van Aartsen aan, die op verzoek van de minister afgelopen voorjaar een advies uitbracht over een beter stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). ‘Daarin vind ik veel van de analyses zeer waardevol. Wat het nog veel sterker had gemaakt, was het noemen van enkele goede voorbeelden geweest. Die zijn er genoeg. Als je ze in zo’n rapport benoemt, leg je een ander accent. En je geeft anderen de kans van die goede voorbeelden te leren.’

Mutter noemt meteen maar het goede voorbeeld van de eigen samenwerking. ‘Wij zijn als Omgevingsdienst Midden-Holland erg gericht op de regio en de bestuurders. Ieder moet zijn eigen stukje doen. En goéd doen. Maar kijk ook naar elkaars situatie. Waar zitten de belangen? Het is een samenwerkingsverband. Niet ieder voor zich! Bereid overlegmomenten daarom degelijk voor. Verplaats je in de positie van de anderen. Bestuurders kunnen pas vlot en goed knopen doorhakken als in de voorbereiding de diverse opties en standpunten degelijk zijn voorbereid.’

Partners in ‘crime’

‘De kracht van de fullservicegedachte’ noemt Van der Kamp het. ‘Zorg dat je een robuuste omgevingsdienst optuigt, zodat je klaar bent voor de toekomst. Ik ben heel blij met de omgevingsdienst als partner om in regionaal verband zaken op te pakken. Het klinkt misschien gek, maar die liefde voor de eigen omgevingsdienst helpt enorm!’ Mutter beaamt het: ‘Als ik in het rapport van Van Aartsen lees dat de gemeenten ‘wat meer op afstand moeten blijven’, denk ik: ik heb die afstand helemaal niet nodig in de professionaliteit die we in Midden-Holland met elkaar vormgeven! Omgevingsdiensten die met gemeenten samenwerken aan opgaven waarin beleid en uitvoering goed verbonden zijn, hebben juist nabijheid nodig. Dat is iets heel anders dan, maar bestaat naast de gepaste afstand bij VTH- taken die binnen afgesproken kaders uitgevoerd worden. Een delicaat evenwicht dus!’

Beide directeuren spreken de hoop uit dat de Omgevingswet in juli 2022 écht van start gaat. Van der Kamp: ‘De gemeenten worden ongeduldig. Die vinden: aan de bak! En terecht. We moeten een keer te water. Dan merken we snel genoeg wat er anders moet. En laten we dan vooral níet na een jaar al evalueren hoe het gaat. Deze enorme exercitie heeft tijd nodig. Geef het tien of misschien wel twintig jaar. Jaren waarin we moeten accepteren dat we fouten zullen maken. Want dat gaat zeker gebeuren. Maar hoe vaak valt een kind voordat het kan lopen? En reageer je dan door iedere keer te benadrukken is hoe stom dat is? Dat lijkt me niet. Ik zie het goed komen met de Omgevingswet. Maar doe er geld bij. En geef mensen de tijd en de randvoorwaarden om ermee te leren werken. Focus op wat goed gaat. Leer van wat beter moet.’