Wel een minister, misschien een ministerie, zeker geen garantie voor integraal ruimtelijk beleid

| 11 maart 2021

Een aparte minister voor Ruimte en Wonen. Het is een van de meest genoemde wensen in de partijprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen, zij het met verschillende smaakjes. Het Planbureau voor de Leefomgeving is kritisch. Zelfs met een apart ministerie is er nog geen garantie voor integraal ruimtelijk beleid

Door Marcel Bayer, hoofdredacteur ROm en Stadszaken

De politieke partijen zijn vrijwel unaniem in de wens voor het nieuwe ministerie, van rechts naar links. In de allereerste plaats om de regie te nemen bij het vergroten van het woningaanbod door duidelijke kaders te stellen voor het aantal woningen dat gemeenten of regio’s moeten realiseren. Ook moet de Rijksoverheid kwalitatieve eisen stellen zoals de opdracht om te bouwen voor verschillende doelgroepen. Dat betekent nou ook weer niet dat de minister bouwlocaties gaat aanwijzen. Dat blijft een verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. En daar zit ‘m nou net de crux voor het al dan niet voeren van doortastend ruimtelijk beleid, constateert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) na bestudering van de bij haar aangeboden partijprogramma’s.

Doordat het Rijk al systeemverantwoordelijk is voor de beleidsdossiers ruimtelijke ordening en wonen, heeft het nu al verregaande instrumenten om het woningaanbod te vergroten of anderen hiertoe in staat te stellen. Dit is onder andere vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Crisis- en herstelwet (Chw), de Woningwet (Ww) en de naderende Omgevingswet (Ow). Hoe de systeemverantwoordelijkheid wordt ingevuld, is grotendeels afhankelijk van de rol die de verantwoordelijke minister voor zichzelf ziet weggelegd en de mate waarin de Tweede Kamer daarop bijstuurt.

Niet iedere minister zal bijvoorbeeld bereid zijn om de wet, de huidige rolverdeling en het daarvoor beschikbare beleidsinstrumentarium aan te passen. Het past niet in de interbestuurlijke verhoudingen en mores om zo te opereren. Dat bleek recent in het geval van polder Rijnenburg, waar een nipte Kamermeerderheid de minister opdroeg om de Gemeente Utrecht een proactieve aanwijzing te geven om daar toch te gaan bouwen. De minister van BZK heeft inmiddels laten weten dat ze daar geen gevolg aan gaat geven.

Betere besluiten, integrale aanpak

De aparte minister voor wonen, ruimte of volkshuisvesting zal wel resultaatverantwoordelijk moeten zijn, als de bouwopgave niet wordt gerealiseerd. Als blijkt dat gemeenten of regio’s zich niet aan de afspraken houden, grijpt de minister in met een proactieve of reactieve aanwijzing. Of dat ook daadwerkelijk gebeurt is hoogst twijfelachtig.

De politiek denkt dat een aparte minister, die zich specifiek kan richten op het woondossier, betere beslissingen kan nemen. Daarnaast kunnen ruimtelijke vraagstukken integraler worden opgepakt. Zo doet de minister van BZK dat nu feitelijk met het gerichte beleid voor stedelijke vernieuwing en de versnelling van de woningbouw. Maar dan als één van haar vele taken. De meeste partijen willen terug naar één minister die álle ruimtelijke vraagstukken integraal oppakt. In het eerste kabinet-Rutte verviel dit ministerie en werd de portefeuille Wonen ondergebracht bij het ministerie van BZK. Hierdoor wordt ruimtelijk beleid volgens de partijen niet meer integraal afgestemd, waardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met beperkingen in de beschikbare ruimte, aldus signaleert het PBL in de analyse van de verkiezingsprogramma’s.

Wel beleid, geen financiële dekking

Overigens geven de politieke partijen niet aan dat ze extra geld willen vrijmaken om het ambtenarenapparaat uit te breiden. Tijdens het Nationaal Ruimtelijk Verkiezingsdebat in Pakhuis De Zwijger, afgelopen maandag, was VVD-er Daniel Koerhuis daar glashelder over: ‘We hebben extra woningen nodig, geen extra ambtenaren’.

‘We hebben extra woningen nodig, geen extra ambtenaren’ (VVD)

Andere politieke partijen zien wel in dat versterking van het ambtelijk apparaat, ter ondersteuning van een nieuwe minister voor dit domein, onontbeerlijk is. Het CDA is daarin het meest expliciet en wil dat er een nieuwe Nota Ruimte komt om voor de lange termijn ruimte te bestemmen voor woningbouw, werken, natuur en landbouw. De Randstad en de grote natuurgebieden worden door de christendemocraten ontlast en nieuwe groeiregio’s aangewezen.

Nieuwe gebiedsontwikkelingen als Almere-Pampus, nieuwe landaanwinning als IJburg2 in Amsterdam of zelfs een nieuwe stad zijn de schaal van oplossingen waarin we volgens het CDA moeten denken om meer ruimte te creëren voor wonen, werken en natuur. En als het aan het CDA ligt komt er een actief spreidingsbeleid. Met de inzet van regiodeals willen zij nieuwe overheidsorganisaties, onderwijs-, onderzoek- en zorginstellingen en bedrijven beter verspreiden over het hele land. Het Rijk opent in het hele land flexkantoren waar rijksambtenaren een deel van de week in Den Haag en een deel van de week vanuit hun eigen regio kunnen werken.

Ruimte, wonen en milieu weer bij elkaar

D66 spreekt zich expliciet uit om Milieu weer samen te brengen met Wonen en Ruimtelijke Ordening, een ministerie van ‘WROM’ dus. De afgelopen jaren is veel kennis en deskundigheid over de leefomgeving bij de nationale overheid verloren gegaan. Bovendien denken ministeries vooral vanuit hun eigen expertise na over de leefomgeving. D66 wil graag een planologische dienst die verschillende ministeries ondersteunt vanuit een brede, integrale blik om de leefomgeving te verbeteren.

Het nieuwe ministerie moet lagere overheden aansturen om grote nieuwe woonwijken te creëren, goed verbonden met ov. Maar het moet ook zorgen voor een hecht netwerk van natuurgebieden en een structurele oplossing vinden voor milieuproblemen zoals stikstof. Het is nou ook weer niet de bedoeling dat de nieuwe minister van WROM in de verantwoordelijkheid van de gemeenten en provincies gaat treden. De regio’s kunnen en moeten maatwerk bieden, maar de minister moet doorzettingskracht krijgen voor grote projecten en kan ingrijpen als doelen niet worden gehaald.

GroenLinks is niet zo nadrukkelijk in het benoemen van een nieuwe minister en een nieuw ministerie, maar wil wel dat de overheid weer de regie neemt en komt met een woningbouwoffensief voor (sociale) huurwoningen en koopwoningen. Woningcorporaties worden weer de motor van de volkshuisvesting door de afschaffing van de verhuurdersheffing en ruimte voor het realiseren van middenhuur.

‘Woningcorporaties worden weer de motor van de volkshuisvesting’ (SP)

De PvdA wil, net als D66 en de Partij voor de Dieren, wel nadrukkelijk een nieuw ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu. Door als overheid zelf te investeren en gemeenten en woningcorporaties meer middelen te geven om te bouwen, kunnen er ook ambitieuzere en bindende afspraken komen tussen Rijk, gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties. Aldus verwachten de sociaaldemocraten. Dat ministerie stelt een meerjarig woningbouwprogramma vast van jaarlijks minimaal 100.000 woningen.

Dit wordt per regio uitgesplitst opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. De Rijksoverheid kan daarbij verder met gemeenten afspraken maken over het opnemen van een minimumpercentage betaalbare huurwoningen in bestemmingsplannen, analoog aan de prestatieafspraken die gemeenten met corporaties maken over sociale huur. Net als het CDA richt de PvdA de aandacht nadrukkelijk op de regio met de spreiding van rijksdiensten, versterking van de ov-infrastructuur en met investeringen in de woningmarkt, de regionale economie, de leefbaarheid en klimaatadaptatie.

Ingrijpen in de markt en vergroenen

De SP vindt de aanpak van de woningnood de meest urgente ruimtelijke kwestie en ijvert voor een ministerie van Wonen. Dat ministerie krijgt de regie over de woningmarkt op basis van een nationaal bouwplan voor duurzame en betaalbare woningen. Toch moet er volgens de SP wel aandacht blijven voor specifieke regionale verschillen en daarop gebaseerd eigen lokaal ruimtelijk beleid. In het algemeen moeten lokale bestuurders meer instrumenten krijgen om in te grijpen bij leegstand van kantoren en winkels, speculatie kunnen tegengaan en zorgen dat woningen worden bewoond en niet als beleggingsobject dienen.

De Partij voor de Dieren wil VROM terug met een minister die stuurt op de bouw van meer sociale huurwoningen met een stevige financiële injectie. Vergroenen is hét antwoord van deze partij op de klimaatverandering en de voorwaarde voor een goed leefklimaat. Dus krijgen we groene steden, met volop ruimte voor lokale burgerinitiatieven, en een Deltaplan voor nieuwe natuur. Ook bij de energietransitie krijgt de overheid in al z’n geledingen een centrale rol.

‘Een aparte minister van Ruimte, Wonen en Milieu kan wel zorgen voor een betere ordening van de schaarse ruimte’ (PBL)

Zo lopen de plannen voor een nieuw ministerie, de taken daarvan en vooral de financiering nogal uiteen. Zelfs de partijen die nadrukkelijk ijveren voor een minister voor Wonen, Ruimte en Milieu geven niet aan hoe de financiële dekking eruitziet. Het zal dus sterk afhangen van de politieke wil bij het nieuwe kabinet om daadwerkelijk meer te sturen op de ruimte. Feitelijk was dat ook in het verleden zo. De effectiviteit van integrale beslissingen hing in het verleden onder meer sterk af van het al dan niet bestaan van meekoppelende belangen, zoals landbouw en volkshuisvesting. Het is daarom de vraag of een minister van Wonen, Volkshuisvesting of VROM door integraal beleid meer woningaanbod weet te realiseren, stelt het PBL. Wel kan zo’n minister bijdragen aan het realiseren van andere doelen die met meer integraal bestuur nagestreefd worden, zoals een betere ordening van de schaarse ruimte.