Welstand houdt natuurlijk stand!

| 22 juli 2020

In het artikel ‘Houdt welstand wel stand?’ (ROm 5, mei 2020) vragen Sarah Ros en Bas Schout zich af of welstand een toekomst heeft na de invoering van de Omgevingswet. Stichting Libau, de adviesorganisatie voor cultureel erfgoed en omgevingskwaliteit in Groningen en Drenthe, is ervan overtuigd dat welstand standhoudt, maar dan wel ondergebracht in het bredere perspectief van omgevingskwaliteit én meer aan de voorkant van het proces. ‘Anticiperend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn wij al jaren samen met overheden en groepen bewoners en ketenpartners hiermee aan de slag’, aldus stedenbouwkundige Tim Willems-Kruize.

Dit is een ingekorte versie van het artikel in ROm 7-8 juli-augustus. ROm is het vakmagazine voor de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren in dat domein. Word abonnee!

Vanuit onze beroepspraktijk hebben we met veel bewoners in diverse gemeenten gesproken over welstandsbeleid en de toekomst daarvan. En wat blijkt? Zo’n beetje iedereen vindt het fijn om zelf weinig regels te hebben, maar voor de buren en de buurt is men vaak nog strenger dan het vigerende welstandsbeleid. Om de leefomgeving ‘mooi’ te houden en daarmee het welzijn en de welvaart te borgen, zal vanuit een goed begrepen eigen belang óók na de inwerkingtreding van de Omgevingswet behoefte blijven aan spelregels om te sturen op het uiterlijk van bouwwerken.

De invoering van de Omgevingswet en de Verklaring van Davos voor een hoogstaande bouwcultuur, vragen om het welstandsbeleid tegen het licht houden, te verbeteren en om te vormen tot omgevingskwaliteitsbeleid. Op basis van de in de vorige alinea genoemde dialoog – en opgedane kennis en ervaring – vinden wij bij deze omvorming vijf onderwerpen belangrijk. Het gaat hierbij om 1) kernkarakteristieken als gezamenlijk vertrekpunt; 2) zeggenschap en spelregels op maat; 3) integraal en inspirerend; 4) sturen op doelen en proportionaliteit; 5) een helder en zorgvuldig proces. In het onderstaande worden deze onderwerpen beknopt uitgewerkt en toegelicht met een voorbeeld uit onze praktijk.

Kernkarakteristieken als gezamenlijk vertrekpunt

De leefomgeving wordt gevarieerder en herkenbaarder als ruimtelijke initiatieven aansluiten bij de in het gebied aanwezige waarden. Hiervoor is het noodzakelijk om de kernkarakteristieken zoals herkenbare en afleesbare ruimtelijke en cultuurhistorische waarden, te inventariseren. Door daar bewoners bij te betrekken ontstaat een rijker en scherper beeld van de kernkarakteristieken én een gezamenlijk vertrekpunt voor de ontwikkeling van ruimtegerelateerde initiatieven.

‘Bewoners dragen bij aan een rijker en scherper beeld van de kernkarakteristieken’

In Beilervaart hebben wij samen met de bewoners en stichting Welzijnswerk Midden-Drenthe in het project Kiek oeze Streek aan de hand van een aantal verhalencafés bijzondere panden en plekken in beeld gebracht en gebundeld op een speciaal ontwikkelde en door het dorp beheerde website. Daarnaast zijn door de bewoners bordjes met QR-codes geplaatst bij de panden en plekken in het dorp om de verschillende verhalen op de website voor bewoners en bezoekers van Beilervaart te ontsluiten. De resultaten van Kiek oeze Streek worden momenteel meegenomen bij het opstellen van de omgevingsvisie.

Zeggenschap en spelregels op maat

Bij het opstellen van veel welstandsnota’s is het gebruikelijk om de ruimtelijke dynamiek te beschrijven, naast de stedenbouwkundige en architectonische kenmerken. Het gaat dan om veranderingen die hebben plaatsgevonden en die in de toekomst worden verwacht of zijn gewenst. Op basis hiervan worden de voor het desbetreffende gebied geldende welstandscriteria opgesteld. Door met bewoners het gesprek aan te gaan over de ruimtelijke dynamiek houden de bewoners zeggenschap en zijn regels op maat te maken. In het experiment WERK&Ulrum is aan bewoners uit Ulrum gevraagd wat zij nodig hebben om hun historische kern mooi en leefbaar te houden. Uit de gesprekken kwam onder andere naar voren dat veel panden een schilderbeurt nodig hebben en daarom is besloten spelregels op te stellen voor het kleurgebruik. In samenwerking met Specht architectuur en stedenbouw is een kleurenwaaier ontwikkeld. Bewoners kunnen thuis verschillende kleuren uittesten aan de hand van een aantal kleurplaten. Bij de start van de uitvoering van dit project zijn twee dorpsbewoners uit de werkgroep naar voren gestapt als aanjager – op z’n Gronings aanpeerdjeder – voor het opknappen van de kern.

Integraal en inspirerend

De huidige welstandsnota’s beperken zich meestal tot het uiterlijk van gebouwen, van de plaatsing van een bouwwerk tot het architectonisch detail. De omvorming van het welstands- naar omgevingskwaliteitsbeleid biedt kansen om ook de gewenste uitstraling van de onbebouwde ruimte te beschrijven. Het is bovendien belangrijk om met omgevingskwaliteitsbeleid meervoudige waardencreatie te bevorderen: ruimtelijke initiatieven kunnen immers zo worden ontworpen dat zij óók een positieve bijdrage leveren aan de gezondheid, klimaatadaptatie, biodiversiteit en energietransitie. In Dorpen in Groningen, een prachtige handreiking hoe te werken aan Groninger dorpen, is hiermee geëxperimenteerd. Deze interactieve publicatie, die is opgesteld met gemeenten, Provincie Groningen en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, bevat een beschrijving van de ruimtelijke en cultuurhistorische karakteristieken van de (on)bebouwde ruimte van de zes dorpstypen die in de provincie Groningen voorkomen, inclusief inspirerende tips voor veelvoorkomende ruimtelijke opgaven én mogelijke koppelkansen. De publicatie is een stuk gereedschap voor bewoners en professionals – ontwerpen is een vak – om te gebruiken bij het ontwikkelen van initiatieven die passen bij de plek en er een positieve bijdrage aan te leveren.

Sturen op doelen en proportionaliteit

De cultuurverandering van ‘nee, tenzij’ naar ‘ja, mits’ bij ruimtelijke initiatieven vraagt om spelregels in welstandsnota’s en andere ruimtelijke instrumenten die in plaats van de oplossing het achterliggende doel formuleren. Dit betekent dat de initiatiefnemer en zijn adviseur de ruimte krijgen, maar ook meer bewijslast, om op hun eigen manier de geformuleerde doelen te bereiken. De welstandsarchitect en andere beleidsadviseurs kunnen weer meer hun vak uitoefenen in plaats van ‘afvinklijstjes’ af te lopen.

‘Criteria afstemmen op gesignaleerde waarden en ambities’

Bij de vertaling van welstandscriteria naar achterliggende doelen doet zich tegelijkertijd de kans voor om de criteria af te stemmen op de gesignaleerde waarden en ambities. Hierdoor ontstaat een proportioneel omgevingskwaliteitsbeleid: op sommige plekken kan worden volstaan met een zorgvuldige stedenbouwkundige inpassing, op plekken met veel waarden of publieke betekenis is te sturen op het totaalbeeld. Voor de gemeente Noordenveld bijvoorbeeld hebben we in het ruimtelijk kader gestuurd op dat totaalbeeld, vanwege de publieke betekenis van het centrum van Roden. Centraal in het kader staan een aantal integrale ambities die voor wat betreft de inrichting van de openbare ruimte en het uiterlijk van bouwwerken zijn uitgewerkt met kwalitatieve doelen in woord en vooral beeld.

Op de vraag ‘Houdt welstand wel stand?’ luidt ons antwoord dus volmondig ja! Het uiterlijk van bouwwerken leeft wel degelijk onder bewoners en is een volstrekt logisch onderdeel van omgevingskwaliteit. Laten we in vertrouwen en met liefde voor de plek, gebruikmakend van alle beschikbare kennis van initiatiefnemers, bewoners, beleidsadviseurs en andere professionals, mét ontwerpkracht als rode draad, door het proces werken aan beleid en plannen met omgevingskwaliteit.

Tim Willems-Kruize

stedenbouwkundige bij BNSP en atelierleider Team Ruimtelijke Kwaliteit van stichting Libau. Zie voor meer informatie over Libau en de publicaties www.libau.nl