Yoga in de vinex

| 14 oktober 2015

Martin de Jong

Martin de Jong

Startende bedrijfjes zitten vaak op onverwachte plekken, die oorspronkelijk nooit waren bedoeld om als bedrijfsruimte te dienen. Zoals op zolders, in garages en in andere extra ruimtes van woningen in vinexwijken. Dat is de conclusie uit een onderzoek van het Utrechtse stedebouwkundig bureau Nieuwe Gracht naar de opkomst van kleinschalige bedrijvigheid in stedelijke gebieden. Verrassend? Of toch ook logisch? De vinex is de thuishaven van de werkende middenklasse. Er is geld, er is kennis. Er zijn bewoners die, al dan niet gedwongen, hun vaste baan verlaten om als zelfstandige verder te gaan. Er zijn vrije uren, mede dankzij het anderhalfverdienersmodel waarin een partner full time werkt en de ander in deeltijd. Dat moet wel tot bedrijvigheid leiden, zeker in een tijdperk waarin je in een handomdraai een eigen webshop opzet.

Alleen jammer dat er aan de buitenkant nog zo weinig van te zien is. Het ontbreekt in vinexwijken aan wat in vrijwel elk ander soort woonomgeving heel normaal is. Geen zichtbare winkels of kantoren tussen de huizen, laat staan een groenteboer of bakker. Hoogstens een half verscholen bordje tussen de muurplanten dat iemand een yoga- of adviespraktijk heeft. Het is een gevolg van de beslissing om alle bedrijvigheid in één winkelcentrum onder te brengen. Voor ontwikkelende partijen zijn de opbrengsten uit winkelvastgoed een vast onderdeel van het verdienmodel. Gemeenten zijn hierin meegegaan en hebben nauwkeurig vastgelegd dat er op andere plekken geen bedrijven bij mogen komen. Wonen en werken netjes van elkaar gescheiden; het doet denken aan de jaren vijftig.

Niet alle bewoners leggen zich daarbij neer. In Leidsche Rijn is een groep bewoners al enkele jaren bezig om een permanent marktplein te beginnen onder de naam Vinexmarkt. Het initiatief is ontstaan uit onvrede met het gebrek aan levendigheid en ontmoetingsplekken in de wijk. Een andere Leidsche-Rijnbewoonster beschrijft op haar blog hoe ze in haar wijk een rommelwinkeltje ontdekt waarin niets duurder is dan vijf euro. De verkoopster is er spontaan mee begonnen, zonder zich af te vragen of het mag. Het zet ‘Vinexvrouwtje’ aan tot de volgende overpeinzing:

In de Vinex is alles tot op de millimeter gepland. Elke struik, elke boom, krijgt eerst op papier een plekje voordat er echt iets in de grond wordt gestopt’ … ‘Niks onstaat zomaar. En als het wel zo is, is dat automatisch ‘tegen’ de regels, want het stond niet in het plan. Ik kan me er er nog steeds over verbazen dat je in een ‘vrij’ land zo weinig mag en dat iedereen zich daar ook zo gedwee bij neerlegt.

Volgens mij bewijst het twee dingen. Ten eerste dat je geen verstokte vinexhater hoeft te zijn om kritiek te hebben op de manier waarop die wijken zijn gepland. Ten tweede dat nieuwe wijken altijd minder ‘af’ zijn dan we denken. Je kunt ze ook zien als een plattegrond waarop de stedelijkheid nog moet beginnen en waar de tijd nog overheen moet gaan. Het wordt steeds duidelijker dat bewoners zelf willen bepalen hoe de toekomst van hun woonomgeving er uitziet. Maar in wat voor soort wijk wil de burger wonen? Grofweg zijn er op dit moment twee geluiden te horen. Het ene is dat de populariteit van typisch stedelijke woonmilieus verder zal toenemen. Jongeren zullen steeds meer naar de stad trekken om er te studeren en te werken. Ze blijven er wonen, ook nadat ze een gezin hebben gesticht. Daar staan geluiden tegenover die waarschuwen dat de behoefte aan grootstedelijk wonen niet moet worden overdreven omdat een grote meerderheid een voorkeur blijft houden voor een meer ‘burgerlijke’ groenstedelijke omgeving. Zie bijvoorbeeld de reactie van Friso de Zeeuw op het PBL-onderzoek De Stad: Magneet, Roltrap en Spons.

Altijd bruikbaar als er twee standpunten tegenover elkaar staan. Dat brengt scherpte in het debat. Maar je krijgt zo wel de indruk dat er maar twee mensentypen bestaan. Aan de ene kant de grotestadsbewoner die van koffietent naar vintageshop hopt en het helemaal niet erg vindt om midden in de stad een gezin te stichten zolang er maar parkeerruimte is voor de bakfiets. En aan de andere zou er dan een groenstedelijk type bestaan – laten we zeggen de homo vinex – dat woont in een wijk waar je overdag een kanon kunt afschieten en tevreden inkopen doet in een sfeerloos, halfleeg winkelcentrum dat in 1996 aan de tekentafel is bedacht.

Een kloof door de bevolking tussen typische grootstadbewoners en groenstadbewoners? Ik geloof er eigenlijk niets van. Ik denk dat ook ‘vinexmensen’, voor zover die al bestaan, houden van diversiteit. En dat zichtbaar ondernemerschap in wijken veel belangrijker is dan we tien of twintig jaar geleden konden vermoeden. Ook in groenstedelijke wijken. Dat daar nog maar veel guerillawinkeltjes, pop-upmarkten en praktijken-aan-huis mogen bijkomen. En dat ze maar flink de ruimte mogen krijgen, of nemen.

Martin de Jong
www.vrije-ruimte.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *