Advertentie
Archief

Veertig jaar kruisbestuiving: de heilige integraal

Auteur ROmagazine.nl

18 februari 2022 om 11:09, Leestijd ca. 12 minuten


ROm bestaat veertig jaar: veertig jaargangen vol bijdragen over ruimtelijke ordening, milieubeheer en verwante onderwerpen. Vakinformatie, ruim een meter breed op de boekenplank. Om precies te zijn 1,18 meter. Wat is de betekenis van het vakmagazine eigenlijk geweest voor beleid, onderzoek, advies of uitvoering? Is het maandblad na en in al die jaren nog trendsettend, opiniërend, urgent, toegankelijk, relevant, vervangbaar? Robbert Coops, vanaf het allereerste begin betrokken bij ROm, bladert door de jaargangen en probeert deze vragen te beantwoorden.

Door Robert Coops. Dit artikel staat in ROm 1, februari 2022. ROm is het maandelijkse vakmagazine voor de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren in dat domein. Neem een thuisabonnement.

Terug naar 1982. Pieter Winsemius trad – als volslagen politiek-bestuurlijke buitenstaander – ­ook tot zijn eigen verbazing toe tot het kabinet-Lubbers. Hij werd Minister van Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en kreeg bij binnenkomst op het departement te maken met verschillende bestuursstijlen en opvattingen tussen vooral het directoraat-generaal milieuhygiëne en de Rijksplanologische Dienst.

Integratie tussen beide beleidsvelden die zo voor de hand lag, lukte nog wel op papier, maar in de praktijk botsten de belangen en topambtenaren hier en daar fors.

Winsemius, afkomstig van organisatieadviesbureau McKinsey & Co, maakte daar korte metten mee. Zijn ambities, vooral op milieuterrein, waren groot. Ook de voorlichting moest worden geïntegreerd en geprofessionaliseerd zodat een effectief beleidsinstrument kon ontstaan. Het leidde er onder andere toe dat het ROM-magazine, in eerste instantie samen met een ROM-bulletin, verscheen.

‘Er zijn tal van elementen in het ruimtelijk beleid en het milieubeleid die door de nieuwe organisatievorm meerwaarde kunnen krijgen in vergelijking tot hun waarde in de oude situatie. Het denken in termen van planning, eigen aan de ruimtelijke ordening, en het hanteren van fysisch-chemische normen, zoals wij dat in de milieusector tegenkomen, vormen elkaars complement. Kruisbestuiving tussen deze twee tot nog toe meer dan noodzakelijke gescheiden werelden, kan zeer waardevol zijn’, zo rechtvaardigde de nieuwe minister het verschijnen van het nieuwe blad.

Een kleine selectie van de vierhonderd ROm-edities. De vormgeving ging van ronduit grijs in de beginjaren naar stijlvol en kleurrijk sinds de nieuwe vormgeving in 2001, even een artistiek intermezzo en toen naar de strakke en zakelijke uitstraling nu.

Eigenwijs

Het is interessant na te gaan wat er van die kruisbestuiving in de loop der jaren is terechtgekomen. En of ROm daar een rol in heeft gespeeld. Dat het blad in veertig jaar behoorlijk is veranderd, staat buiten kijf. Vormgeving, typografie, verschijningsfrequentie, exploitatieopzet en redactionele formule zijn in de loop der tijd grondig aangepast. Periodiek verschijnen er – al dan niet gesponsorde – specials en themanummers. Er zijn ROm-congressen, seminars, webinars; vaak samen met andere organisaties. Inmiddels is er een website en verschijnt digitale informatie via een nieuwsbrief en blogs. De exploitatieopzet wijzigde waardoor professionals uit de publieke sector het blad weer gratis maandelijks kunnen ontvangen. Het magazine verschijnt nu tien keer per jaar op basis van controlled circulation, waarbij ook een betaald abonnement mogelijk is. Bij de start kon iedereen – en dat bleken er al gauw zo’n 22.000 te zijn – zich aanmelden voor gratis toezending. Dat liep letterlijk nogal in de papieren.

Toch is veel hetzelfde gebleven. Het magazine is gelukkig nog steeds onafhankelijk, kritisch, serieus, genuanceerd, degelijk en staat open voor opinies en reacties. Dat laatste gaf in de begintijd nog wel eens deining bij beleidsambtenaren op het ministerie die vonden dat ‘his masters voice’ te veel werd overstemd. Het was aan de redactie en vooral aan eigenwijze hoofdredacteuren als Henk Bakker en zijn opvolger Marcel Bayer te danken dat niet is gezwicht voor politieke of commerciële belangen. Daardoor kon het blad met een eigen koers blijven bestaan – al was het zo nu en dan een dubbeltje op zijn kant. Vele ‘collega’-tijdschriften legden het loodje.

Vaste formule

Bladerend door al die jaargangen valt op dat de structuur van ROm nauwelijks is veranderd, de journalistieke toonzetting en daarmee de toegankelijkheid gelukkig wel.

Min of meer op zichzelf staande actuele artikelen, een ‘spraakmakend’ interview met bewindslieden, gemeentelijke en provinciale bestuurders, topambtenaren, adviseurs, architecten, actievoerders, hoogleraren en belangenbehartigers, maar bijvoorbeeld ook met auteurs Midas Dekkers en Joris van Casteren, weerman Gerrit Hiemstra, NL Greenlabel-oprichter Lodewijk Hoekstra en hotellier Camille Oostwegel, vormen door al die jaren heen de herkenbare kern van het blad. Evenals de columns van onder meer Jan Lambooy, Cees Anton de Vries, Maarten Hajer, Peter van Rooy, Henry Meijdam, Ton van Rietbergen, René Buck, Friso de Zeeuw en Bram van de Klundert, praktijkvoorbeelden, dossiers en vanzelfsprekend hoofdredactioneel commentaar.

En kenmerkend: veel ambtenaren weten de weg naar het blad te vinden hetgeen zeker in de beginperiode niet vanzelfsprekend was vanwege de oekaze-Kok; minister-president Wim Kok eiste daarmee het publicitaire alleenvertoningsrecht voor bewindslieden op. Daarnaast een bonte stoet van voorlichters, opiniemakers, politici, adviseurs, lobbyisten, onderzoekers, wetenschappers, actievoerders en gelukkig veel kritische lezers. De eigen parochie (s)preekt.

‘Veel ambtenaren weten de weg naar het blad te vinden hetgeen zeker in de beginperiode niet vanzelfsprekend was vanwege de oekaze-Kok’


Maar waar gaan die artikelen over? Beleid, onderzoek, advies, wet- en regelgeving, uitvoering, kritiek; alles komt langs, meestal in nationale (beleids)context met zo nu en dan een buitenlands voorbeeld van milieuschandalen. In de eerste jaargangen staan vooral de belangrijkste beleidsdaden van het nieuwe kabinet, zoals de Structuurschets Stedelijke Gebieden en de indicatieve meerjarenplannen milieu uitmondend in het Nationaal Milieubeleidsplan (Plus) centraal. Enerzijds wordt aandacht gevraagd voor de inhoud zoals doelstellingen, procedure, context. Anderzijds komen actief publieke en private partners, en dus ook tegenstanders, aan bod met hun opvattingen, ervaringen en voorstellen. Een bewuste redactionele keuze.

Trending topics

De door de politiek gewenste integratie tussen ruimtelijke ordening en milieubeheer was in de eerste jaargangen nog niet erg zichtbaar. Hoogleraar Gert de Roo heeft het – december 1993 – over de latrelatie tussen ruimte en milieu. Een paar jaar later (1996) constateert eindredacteur René van Ravesteijn dat integratie zweetdruppels kost: ‘In het verstandshuwelijk moeten beide partners wat inleveren.’ Uiteindelijk komen beide beleidsterreinen dichter bij elkaar onder druk van regelgeving en door steeds kritischer opstellingen vanuit de samenleving. Ook in ROm is dat te merken. Artikelen over de milieueffectrapportage, inpolderingen (Markerwaard), infrastructuur/mobiliteit en de Noordzee komen veelvuldig in de eerste jaargangen aan bod. Ook het nu weer hoogst actuele debat over kernenergie, inclusief wat te doen met straling en kernafval, en de daaraan te koppelen locatiekeuzes, komt aan bod.

Andere onderwerpen uit de eerste periode blijken eveneens onverminderd relevant, zoals het pleidooi van ing. A. de Lange over de mogelijkheden van telecommunicatie als alternatief voor het dagelijkse woon-werkverkeer (mei 1989). Of het artikel van Arie Bleijenberg (uit 1997) over het terugdringen van de CO2-uitstoot door het gebruik van duurzame (!) energie of energiezuinigheid. Niet alle voorspellingen of wensen komen uit, maar het zijn wel voortekenen van relevante discussies zoals die nu – ook in het blad – worden gevoerd.   

Mede onder de invloed van de (nieuwe) wetten Milieubeheer en Ruimtelijke Ordening, maar zeker ook door de Europese richtlijnen komt de focus steeds meer te liggen op handhaving, inspectie, normstellingen en rechtszekerheid, waarbij ruimtelijke ordening en milieubeheer min of meer vanzelfsprekend gelijkwaardig zijn. Ook dat blijkt uit de inhoud van de latere jaargangen: deregulering, participatie, maar ook milieu-innovaties en gelukkig veel praktijkvoorbeelden passeren de revue.

Het blad neemt in 2001 tijdelijk afscheid van ‘milieu’, maar eigenlijk verandert er niet zo veel. Ruimtelijke ordening is immers per definitie een beleidsterrein waarin andere belangen een rol spelen: van landbouw tot mobiliteit, van natuur en landschap tot woningbouw, van energie tot water. En natuurlijk die van het milieu: van stikstof tot bodemvervuiling, van straling tot geluid en van klimaat tot zure regen. Vanaf 2000 dringen ook actuele trending topics als klimaattransitie, stikstofproblematiek, duurzaamheid, energietransitie of gebiedsontwikkeling tot de kolommen door: het blijkt zeker niet een puur semantische operatie te zijn.  

Inhoudelijke consistentie

De actualiteit werd gevolgd, maar echte primeurs zijn er nauwelijks te vinden in de veertig jaargangen. Daar ging en gaat het ook niet om. ‘ROm is meer informatief dan opiniërend. De meeste stukken in dit blad gaan over feitelijkheden of een toelichting daarop. Taboe zijn meningen niet. ‘Het is auteurs allerminst verboden een eigen opinie te ventileren’, aldus hoofdredacteur Henk Bakker (mei 1992). Hypes en opportunistische opvattingen komen niet aan bod. Er zijn eigenlijk nooit relletjes in de vorm van Kamervragen, publiciteit of rectificaties. Het blad krijgt goede rapportcijfers in lezersonderzoeken. En dat is meer waard dan het (w)innen van de populariteitsprijs. Belangrijke nota’s en wetten, zoals de toen nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Vierde en daaropvolgende nota’s over de ruimtelijke ontwikkeling, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden in alle fases en vanuit verschillende invalshoeken systematisch en consequent belicht. Die redactionele benadering is misschien niet spectaculair, maar wel relevant, juist omdat ook hier kruisbestuiving tussen verschillende disciplines en opvattingen plaatsvond.

‘Er zijn eigenlijk nooit relletjes in de vorm van Kamervragen, publiciteit of rectificaties’


De vasthoudendheid van redactie en auteurs om vanaf het allereerst begin de Omgevingswet kritisch te volgen en te beoordelen is zo’n voorbeeld van inhoudelijke consistentie. Het zou de huidige juridische beleidsmakers zelfs in dit stadium kunnen helpen om over digitalisering, stapeling van wetten en regels, de invloed van Europa te lezen en deze aspecten zo mogelijk nog in de nieuwe wetgeving te vlechten. Het ontwikkelproces van deze integrale (!) wet loopt immers nog steeds.

Ook rond de Nationale Omgevingsvisie organiseert ROm eigenlijk als enige platform een serieuze discussie over het belang, de tekortkomingen en de ontbrekende visies en uitwerkingen; iets waarvoor het blad nauwelijks credits krijgt. De bijdrage van Sarah Ros en Peter Jasperse (ROm 2019, nr. 7/8) geeft nog eens de onderlinge samenhang aan: ‘Ontwerp-NOVI langs de Omgevingswet-lat’!

Relevantie en urgentie

Het beleidsveld ruimtelijke ordening/ontwikkeling is nooit echt toonaangevend, sexy, innovatief of leidend geweest: ‘Sectorale aanpak nog altijd stroef; ruimtelijke ordening aan de zijlijn’, zo concludeerden onderzoekers van de Technische Universiteit Twente (maart 2012). Ook een vakblad kan dat beeld niet veranderen. Wel kan het pleiten voor en het stimuleren van een meer pregnante positie van het vak en zijn beoefenaren. ‘Maar uiteindelijk wordt het succes van het magazine ook in de toekomst toch vooral bepaald door de statuur van het ruimtelijk beleid. (…) Aansprekende onderwerpen en issues, relevante benaderingen en vooral visionaire, communicatieve planologen verhogen de kwaliteit van het debat en het ruimtelijk beleid’, zo typeerde ik in november 2008 bij het vijfde lustrum de positie van ROm. Wijze woorden? Dat valt wel mee.

Maar afgezien van mijn constatering dat ROm niet zo makkelijk te vervangen is als opiniërend en toegankelijk vakblad en als platform, is er niet alleen veel aan te merken op het ruimtelijk beleid, maar ook op het blad. Met gratuite oproepen om in het nieuwe kabinet een minister van Ruimte op te nemen of een voorspelbaar pleidooi voor de wederopstanding van de Rijksplanologische Dienst te publiceren, schieten ‘we’ immers niet veel op. Waar blijft het tegengeluid? Waar blijven diversiteit, inclusiviteit en multiculturaliteit? Het hoeven zeker geen loze of modieuze termen te zijn. Is ROm niet te veel een ‘wit’ blad gelet op de geïnterviewden, de onderwerpen, de benadering daarvan en de auteurs. De relevantie en urgentie van ROm staan daarbij op het spel. Een constatering maar ook een vingerwijzing: laat ROm toch vooral veelkleurig zijn en blijven. Dat is tenslotte ook kruisbestuiving.

Over Robbert Coops
Nu zou hij communicatieadviseur zijn, maar in 1982 was Robbert Coops op het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voorlichter ruimtelijke ordening en planologische kernbeslissingen. Beleidsmatig was hij vooral aangewezen op de Rijksplanologische Dienst die ‘tamelijk onzichtbaar onderzoek verrichtte en plannen uitdokterde, zoals de Derde Nota Ruimtelijke Ordening.’ De oprichting en ontwikkeling van een publieksblad waaraan hij enthousiast deelnam, betekende in communicatief opzicht voor het ruimtelijk beleid een kans om zich te profileren en te verantwoorden, herinnert hij zich. ‘Niet iedereen dacht daar zo over, maar uiteindelijk kreeg ROm betekenis en status.’

De redactie waar Coops deel van uitmaakte, schreef zelf veel artikelen maar bepaalde ook in redelijke vrijheid thema’s en invalshoeken waarvoor auteurs werden benaderd. Bijdragen over milieucriminaliteit, de Markerwaard en bodemvervuiling konden zeker ‘als gezaghebbend worden beschouwd’.

Gerelateerde Artikelen
Link gekopieerd naar klembord