Advertentie
Archief

40 jaar ROm-interviews: ware en klare woorden

Auteur ROmagazine.nl

22 april 2022 om 13:20, Leestijd ca. 14 minuten


Dit jaar beleeft ROm zijn veertigste jaar. Al vier decennia verzorgt de redactie maandelijks relevante vakinformatie over ruimtelijke ordening en milieu. We blikken het hele jaar terug op de grote onderwerpen, die door de tijden heen relevant zijn gebleven, of niet. Of die juist de laatste tijd belangrijk zijn geworden. Voor deze editie bladerde Robbert Coops, redacteur van het eerste uur, door de meest opmerkelijke interviews uit de eerste twintig jaar. De meeste opvattingen doen er nog steeds toe. Een kwestie van consistentie, duurzaamheid, stilstand of toekomstvisie?

Door Robbert Coops. Dit artikel staat in ROm april 2022. ROm is het vakmagazine voor de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren en bestuurders-politici in dat beleidsdomein. Meld u hier aan voor een thuisabonnement voor het maandelijkse papieren of digitale magazine

Toen ROm in 1986 een interview met de wereldberoemde stedenbouwkundige sir Peter Hall plaatste gaf dat enige opschudding. Zo beklaagde het Nederlands Instituut voor de Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (NIROV) zich dat een dergelijk artikel eigenlijk niet in het door het ministerie uitgegeven ROm paste, maar eigenlijk veel beter in het eigen maandblad Stedebouw en Volkshuisvesting.

Beide ‘instituten’ in de Nederlandse ro-wereld zijn al jaren ter ziele. Toch gaf en geeft deze collegiale ergernis aan dat spraakmakende interviews ertoe doen. Ze krijgen een volwaardige plaats in het blad, waarbij het opvalt dat de geportretteerden zelden op de cover verschijnen. Uitzonderingen tot op heden waren bewindslieden, Peter Hall (!) én Marjan Minnesma.

Natuurlijk mag Pieter Winsemius in dit overzicht niet ontbreken. Als minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wordt hij in 1986 behoorlijk pittig ondervraagd over de integratie tussen milieu en ruimtelijke ordening. ‘Voor het milieu moet eerst een langetermijnvisie worden ontwikkeld. Op ruimtelijk ordeningsgebied dient men ervoor te zorgen niet te vervallen in louter coördineren, maar de visie zo scherp mogelijk voor ogen te houden.’ Een mooie aftrap voor twintig jaar ROm-interviews, in min of meer chronologische rangorde.

Vino en Vinex

Dirk Frieling, voorzitter van de Stichting Nederland Nu Als Ontwerp, erkent dat het werk van de stichting weliswaar geen wetenschappelijke pretenties heeft, maar wel degelijk nut heeft. ‘De wetenschap leent zich niet goed voor het maken van toekomstprognoses. Voor zover dat wel zo is, heb ik nog meer vertrouwen in de natuurwetenschappen dan de sociale wetenschappen. Kunst, politiek, geloof leveren een betere ingang om de toekomst te lijf te gaan’, aldus Frieling (ROm, januari 1987). Hij wil met het oog op de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (Vino) meer aandacht voor ruimtelijke scenario’s.

 ‘De Nederlandse samenleving wist een groot deel van haar collectieve herinneringen uit als zij in dit tempo doorbouwt’

De Nijmeegse planoloog professor Barrie Needham breekt een lans voor het restrictieve beleid in het Groene Hart. In een interview met hoofdredacteur Henk Bakker (ROm, november 1989) stelt hij onomwonden vast dat het volbouwen niet goed is vanuit het oogpunt van milieu en duurzaamheid.

‘Niet uit cultuurhistorisch oogpunt: de Nederlandse samenleving wist een groot deel van haar collectieve herinneringen uit als zij in dit tempo doorbouwt. Het is een reeks van overwegingen, waaronder ook morele. Zeg maar dat open ruimte een intrinsieke waarde heeft.’ Hij pleit voor een scherper restrictief beleid ter verdediging van het Groene Hart.

Ed Nozeman, wetenschappelijk medewerker aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, is bezorgd over de consequenties van het hoge bouwtempo in de groeikernen waardoor de in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening gepropageerde, evenwichtige bevolkingsopbouw niet wordt bereikt (ROm, juni 1987).

De Noord-Hollandse gedeputeerde ruimtelijke ordening en sinds lange tijd ROm-columnist Friso de Zeeuw is daar niet zo bang voor, want: ‘De plek waar woningen komen doet er tegenwoordig wel toe. Er wordt niet overal hetzelfde soort woningen gebouwd. We doen meer aan ‘strategische nieuwbouw’. We letten meer op variatie in prijsklasse en grootte van de woningen’ (ROm, november 1993).

Grote projecten

Over grote infrastructurele (Betuweroute, Tweede Maasvlakte, Schiphol) en bouwprojecten is en wordt in ROm veel gepubliceerd. Terugkerende relevante vragen zijn: waarom het niet lukt om binnen de financiële randvoorwaarden en planningen te blijven, en waarom de maatschappelijke weerstand zo krachtig is.

De Groningse hoogleraren Piet Pellenbarg(economische geografie) en Jan Oosterhaven (ruimtelijke economie) merken, naar aanleiding van een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over de besluitvorming bij grote projecten, op dat wetenschappelijk onderzoek nuttig kan zijn in de besluitvorming, mits dat voor de definitieve beslissing gebeurt. ‘Het probleem moet helder worden neergezet, en vervolgens enkele mogelijke oplossingen geschetst’ (ROm, december 1996).

Milieubeleid

Het was hoogleraar Pier Vellinga, directeur van het Instituut Milieuvraagstukken van de VU in Amsterdam, die zich in de jaren negentig al kritisch uitsprak over het milieubeleid van het paarse kabinet. In navolging van oud-minister Pieter Winsemius vindt ook hij dat het ministerie het voortouw moet blijven nemen in het ontwikkelen van een langetermijnmilieubeleid. Het kortetermijnbeleid prevaleert, de verstorende en gevaarlijke invloed op het klimaat van ongebreidelde emissies van CO2 wordt onvoldoende onderkend en het ontbreekt aan serieus klimaatonderzoek. Vellinga ergert zich in ROm (mei 1995) aan het gebrek aan urgentie en daadkracht.

‘Het VNO, de ANWB, captains of industry, aangespoord door anti-klimaatveranderinggoeroe professor Bôtcher zeggen dat het wel meevalt, dat we beter kunnen wachten met maatregelen tot we zeker weten dat het waar is. Van de gekke.’

Twee maanden later reageert de ANWB op het interview; de ANWB blijkt wel degelijk voorstander te zijn van CO2-reductie, maar het moet allemaal wel haal- en betaalbaar blijven.

Laurens-Jan Brinkhorst, in 1987 nog de hoogste Europese milieuambtenaar, laat zich in een vraaggesprek met Maurits Groen en Rombout van den Nieuwenhof gelden als een optimist. Hij is een warm pleitbezorger van samenwerking met de industrie om vooruitgang in het milieubeleid te boeken. ‘Japan heeft mij geleerd dat, wil je werkelijk een dynamisch en progressief industriebeleid voeren, dat scherpe milieueisen daar onverbrekelijk bij horen.’

Dat blijkt ook de opvatting van de – dan scheidend – directeur-generaal milieubeheer ir. Wim Reij (ROm, januari/februari 1989) te zijn. ‘Neem Japan: daar rijdt geen enkele auto zonder katalysator; hoogovens daar zijn stukken energiezuiniger en minder vervuilend dan hier.’

Peter Nijhoff, algemeen directeur van de stichting Natuur en Milieu, citeert Reij met instemming in een interview (ROm, januari/februari 1990). Bij zijn afscheid stelt hij dat het ‘milieubeleid zonder de milieubeweging een stuk minder goed zou zijn geweest, de organisaties hebben de zaak steeds indringend onder de aandacht gebracht, dwars tegen de stroom van onwillige bestuurders en politici in’. Ook de agrarische wereld ziet – volgens ex-landbouwminister Gerrit Braks - natuur en milieu steeds minder als vijand (ROm, april, 1997). De gelederen sluiten zich.

Commissie Brundtland

Het geruchtmakende rapport van de internationale commissie-Brundtland laat zien dat armoede en milieuaantasting twee kanten van dezelfde medaille vormen. Daarover gaat het gesprek met economisch medewerker van de UNEP (United Nations Environmental Programme) dr. Yusuf Ahmad(ROm, november 1987).

‘Elke keer wanneer je ingrijpt in de natuur roep je krachten op die een risico kunnen betekenen voor het milieu. Welke risico’s kun je nemen, hoeveel risico’s kun je nemen voordat een proces onomkeerbaar de verkeerde kant oploopt?’

In datzelfde nummer een interview met de Engelse milieuonderzoeker en auteur John Ellington die zich grote zorgen maakt over de aantasting van het ongeboren leven en over de menselijke erfelijkheidsfactoren door milieubederf, veroorzaakt door de chemische industrie.

Het geruchtmakende rapport van de internationale commissie-Brundtland liet zien dat armoede en milieuaantasting twee kanten van dezelfde medaille vormen.

Vooral in ontwikkelingslanden is daar vaak ongecontroleerd sprake van. ‘Het wordt de laatste tijd steeds duidelijker dat je bij vergiftigingen nauwelijks kunt zeggen: dit of dat spul is de oorzaak. Je kunt zelfs in steeds mindere gevallen chemicaliën als schuldige aanwijzen, want er kan net zo goed een virus in het spel zijn dat onder bepaalde chemische condities ineens actief wordt.’ Profetische woorden in de huidige COVID-tijden!

Nationaal Milieubeleidsplan (1 t/m 3)

In ROm van juni 1989 uiteraard veel aandacht voor het dan net verschenen Nationaal Milieubeleidsplan van minister Ed Nijpels. Directeur-generaal milieubeheer Marius Enthoven beziet dit plan optimistisch als ‘een globale visie, een overallvisie op de milieuproblemen. Een strategisch concept waarin milieukwesties worden aangeduid en aangegeven wordt wat de richting en het tempo zijn waarin de problemen worden opgelost’.

En ook Jan Willem Weck, plaatsvervangend secretaris-generaal bij het ministerie van Economische Zaken, is tevreden over het bereikte compromis. ‘Wij hebben nooit geroepen dat het milieubeleid strijdig is met de economische belangen.’ Dat klinkt niet erg overtuigend.

Paul de Jongh, medesamensteller van het Nationaal Milieubeleidsplan, verzet zich tegen de kritiek van milieuorganisaties op beide plannen. ‘De overheid faalt is een onzin-verwijt. De overheid kan niet toveren. In zekere zin is het goed dat de milieubeweging zich ervan bewust wordt dat de samenleving het zelf moet doen’ (ROm, september 1989).

Zou het nog bestaan: het Afvaloverlegorgaan? In ieder geval wel in 1991 met aan het roer voorzitter Hans Ouwerkerk. Hij is nogal pessimistisch over de rol van de Tweede Kamer en de lusteloosheid van het kabinet. Er is onvoldoende afvalverwerkingscapaciteit. ‘We sterven in het afval, we komen er echt in om. (…) Preventie en hergebruik, wat natuurlijk absoluut moet, zal op korte termijn geen zichtbaar resultaat opleveren’ (ROm, oktober 1991).

Carlos Borrego, voorzitter van de EG-milieuministerraad, voorziet ook capaciteitsproblemen, maar wil in ieder geval voorkomen dat afval wordt geëxporteerd naar derdewereldlanden. Hij maakt zich grote zorgen over milieucriminaliteit. ‘De misdaad is ons hierin ver voor en de methoden om giftig afval te camoufleren zijn niet minder ingenieus dan bij de narcotica’ (ROm, april 1992).

Ed Nijpels, in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Raad voor het Milieubeheer, waarschuwt ook. ‘Soms werken we zelf die milieuonvriendelijke consumptie in de hand. Bijvoorbeeld door hier de katalysator-auto verplicht te stellen en toe te staan dat auto’s zonder katalysator naar derdewereldlanden worden geëxporteerd’ (ROm, september 1999).

Verkeer en vervoer

Mobiliteit in alle vormen en maten vormt een vast onderdeel in de berichtgeving. Professor Egbert Tellegen (milieukunde, Universiteit van Amsterdam) ageert tegen goedkope vliegreisjes. ‘Het gaat er ook niet om dat men omwille van het milieu dingen helemaal nalaat. Dus niet: vakantiereizen zijn verboden, want het is slecht voor het milieu. Sommige dingen hoef je niet na te laten, maar je moet ze wel minder doen. Als je wat langer in een bus moet zitten om omwonenden van Schiphol hun nachtrust te gunnen, bovendien tegen een veel lagere prijs dan een vliegreis, dan is dat een reële afweging’ (ROm, januari/februari 1999).

Het ruimtelijk beleid ontbeert samenhang, de instrumenten van de overheid zijn onvoldoende toegespitst op de praktijk en soms zelfs contraproductief

Net als de Vierde staat ook de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (Plus) ruim tien jaar later op de agenda. Voorzitter Peter Noordanus van de dan kersverse VROM-raad trapt bij het verschijnen van de nota hard op de rem (ROm, mei 2001). Het ruimtelijk beleid ontbeert samenhang, de instrumenten van de overheid zijn onvoldoende toegespitst op de praktijk en soms zelfs contraproductief. ‘De vraag is welke ambitie de Rijksplanologische Dienst en de minister van VROM (Jan Pronk, RC) hebben als het erom gaat de ruimtelijke investeringen voor de komende tijd door diverse departementen goed passen in de concepten en plannen van de Vijfde Nota.’

Lijkt deze kritiek ook niet op die over de recente Nationale Omgevingsvisie? Ook de Rotterdamse wethouder ruimtelijke ordening Hans Kombrink komt met kritiek (ROm, juni 2001): ‘In Rotterdam en de Rijnmond kunnen we de behoefte in de bestaande stad absoluut niet afdekken. Een derde van de behoefte aan bedrijvenlocaties en woningbouw moeten we in de regio opvangen, maar zelfs dat is niet voldoende.’

De Brabantse gedeputeerde voor ruimtelijke ordening, land- en tuinbouw, landinrichting en volkshuisvesting, Pieter van Geel, verklaart een nummer later dat de provincie geen uitvoerder wil zijn van de Vijfde Nota. Hij wijst een sergeantsrol bij voorbaat af.

Stedenbouwkundige Riek Bakker, altijd goed voor gedurfde uitspraken zoals onlangs ook is opgetekend in Ruimte voor Riek, sneert in ROm (november 2001) nog even naar wethouder Kombrink die niet zo zielig moet doen over het gebrek aan locaties. ‘Die ruimte is er wel! We hoeven daarvoor niet uit te wijken naar de Hoeksche Waard of naar Gouda.’

Zij wil het planningssysteem van de ruimtelijke ordening radicaal veranderen. ‘Niet meer elke vierkante meter inkleuren met een bestemming, maar uitgaan van de kwaliteit, de potentie van het gebied zelf.’ Het blijkt een voorbode van het denken in termen van gebiedsontwikkeling.

Cees Oudshoorn, directeur van werkgeversorganisatie VNO, licht toe waarom zijn organisatie uit het Groen-polderoverleg over de Vijfde Nota is gestapt. ‘De Vijfde Nota heeft als uitgangspunt ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’, maar als het puntje bij het paaltje komt, blijft het beleid centralistisch en gericht op het publieke domein.’ Hij pleit voor een vorm van ontwikkelingsplanologie: ‘Het ruimtelijk beleid moet interactief worden, dus de overheid samen met maatschappelijke organisaties en marktpartijen’ (ROm, december 2001).

Velerlei beleidsnota’s

De lijst van beleidsnota’s blijkt in de periode 1982-2002 schier onuitputtelijk. In ROm komen ze voor zover ze betrekking hebben op het ruimtelijk en milieubeleid allemaal langs. Ook in interviews met de daarvoor verantwoordelijke bewindslieden, zoals over duurzaam bouwen met staatssecretaris volkshuisvesting Dick Tommel (ROm, oktober 1995), minister Margaretha de Boer over de nota Milieu en Economie (ROm, november 1997) of staatssecretaris van verkeer en waterstaat Monique de Vriesover de nota Waterbeleid (ROm, juli/augustus 2001), maar die blijken nogal plichtmatig en braaf te zijn. Jammer voor de geschiedschrijving.

Maar dan hoogleraar Peter Hall in een opmerkelijk vraaggesprek met freelance redacteur Charles van der Leeuw in ROm, augustus 1986. Hij ziet niet alleen in Engeland de sociaaleconomische gevolgen van een overheid die zich weinig aantrekt van sociale ongelijkheid. ‘Je merkt dat er een toenemend verzet is tegen masterplanning, grootschalige stadsvernieuwing en andere zaken waarvan de mensen het idee hebben dat ze over hun hoofd heen worden besloten. Het gevolg is dat dit soort ingrepen, of ze nu afkomstig zijn van nationale, regionale of lokale overheden, van links of van rechts, altijd kiezers afstoten.’

Ook dat zijn ware en klare woorden die ook in de komende edities van ROm zeker niet zullen misstaan.

Gerelateerde Artikelen
Link gekopieerd naar klembord