Advertentie
Archief

Integraal én regionaal beleid voor de toeristenmagneten

Auteur ROmagazine.nl

13 mei 2022 om 12:25, Leestijd ca. 10 minuten


Toerisme en ruimtelijke ordening blijven overwegend gescheiden beleidsterreinen, ook al neemt de druk van het toerisme met name op steden al decennialang toe. Aanzetten tot spreiding ervan blijven steken in goedbedoelde ambities, zolang stedenbouwkundigen en ro’ers er niet bij betrokken zijn en er geen stevig integraal én regionaal beleid voor is, stelt Paul Kurstjens. Hij vraagt zich af of Amsterdam wel écht minder toeristen wil. “Dan zou het Van Gogh naar Brabant verplaatsen pas een structurele maatregel zijn, die voor Amsterdam minder druk oplevert én kansen biedt voor versterking van de culturele en toeristische kwaliteiten in Van Goghs geboortestreek.”

Door Paul Kurstjens. Dit artikel staat in ROm mei 2022, vakmagazine voor de fysieke leefomgeving, en gratis voor ambtenaren, bestuurders en politici in het beleidsdomein van de fysieke leefomgeving. Neem een thuisabonnement.

In maart publiceerde Metropoolregio Amsterdam (MRA) het onderzoeksrapport Ontwikkelperspectief recreatie en toerisme MRA op basis van onderzoek naar omvang en draagkracht. Eindelijk komt er op regionaal niveau weer aandacht voor de relatie tussen toerisme, recreatie en stedelijke ontwikkeling. In het verleden was die integrale aandacht er ook weleens, zelfs op landelijk niveau. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de rijksnota De ontwikkeling van het westen des lands uit 1958, waarin de angst doorklonk dat het Groene Hart en de kust bedolven zouden worden door toeristen en recreanten. Spreiding van toeristen naar de steden werd toen aanbevolen.

Inmiddels verzuipt Amsterdam in het toerisme en denkt men aan een omgekeerde spreiding, zoals blijkt uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 2020. Na verschillende voorgaande Nota’s Ruimtelijke Ordening is er dan eindelijk een paragraaf over massatoerisme in een landelijke nota opgenomen waarin wordt gepleit voor vestiging van toeristische attracties op knooppunten van infrastructuur met ov. Dit zou de toeristische centra moeten ontlasten, maar het kan natuurlijk ook een aanvulling zijn op reeds bestaand toeristisch aanbod. De geschiedenis doet maar wat, zou je kunnen denken, maar zo simpel is het niet. We geven er immers zelf vorm aan.

De regio lijkt aan zet om voor spreiding van toeristen te zorgen. Maar wat is die regio eigenlijk? Is het een bestuurlijk construct, een ruimtelijk gegeven of een toeristische impressie? Misschien wel allemaal. Is het omgrensd of vloeibaar? Is het een metropool misschien?

Van Gogh Museum, Amsterdam. Je kunt toeristenwinkels weghalen, hotels verbannen naar de regio, de prostitutie verplaatsen en drugs reguleren, toezicht houden en bestemmingsplannen aanpassen, maar met 333 dagattracties blijft Amsterdam een onweerstaanbare magneet voor toeristen en recreanten. Beeld Shutterstock

Koppeling van beleid

Toen ik naar de bronnenlijst van het onderzoek voor het Amsterdamse metropolitaanse ontwikkelingsperspectief keek, gingen de bellen rinkelen. Er werd weliswaar verwezen naar diverse beleidsdocumenten en coalitieakkoorden van gemeenten in de MRA, maar een voor de hand liggende verwijzing naar de Amsterdamse omgevingsvisie ontbreekt. Eveneens ontbreekt de deelname van een Amsterdamse stedenbouwkundige in de verschillende werkgroepen die dit rapport schragen. Wat wil dat zeggen?

Dat dit onderzoek een voortzetting is van de NOVI, waarin ruimtelijke spreiding van toerisme centraal staat, moge duidelijk zijn. Daar past deze regionale visie prima bij. Dat de stad Amsterdam hierin participeert ligt ook voor de hand. Maar dat die spreiding alleen bereikt kan worden met toerismebeleid, zonder koppeling met ruimtelijk beleid, anders dan te constateren dat Amsterdam blijft bouwen en groeien, dat gaat mijn pet te boven.

Ruimtelijk beleid voor toerisme is onontbeerlijk

Mijn eigen onderzoek naar talloze Europese steden en regio’s bracht me tot het inzicht dat ruimtelijk beleid voor toerisme onontbeerlijk is. Zo zag ik dat in de twee grote metropolen Parijs en Londen van spreiding van toeristen naar de regio nauwelijks sprake is. Sinds de negentiende eeuw nam in beide steden het internationaal toerisme met verschillende wereldexposities enorm toe. Die expo’s stimuleerden de aanleg van de metro en uitbreiding van het spoor. Met name de hoge dichtheid van metrolijnen droeg ertoe bij dat de gemiddelde actieradius van wandelende toeristen groeide van drie naar zes kilometer.

Daarbinnen bevinden zich vrijwel alle toeristenattracties. De paar die erbuiten liggen doen weinig af aan de drukte erbinnen. Vrijwel alle hotels liggen in Parijs dicht bij een metrohalte.

In Londen doet zich overigens de bijzondere situatie voor dat de recente ontwikkeling van de zuidoevers de actieradius van toeristen weer heeft doen verkleinen. In beide metropolen concentreert zich het toerisme in het centrum dat door de metro in de loop der tijd vergroot is. Er heeft een concentrische uitbreiding van de toeristenactieradius plaatsgevonden van drie naar zes kilometer.

Aantrekkelijke stadscentra

Ook in een andere hoofdstad zag ik die concentratie van toeristen optreden, maar nu in een vorm die het midden houdt tussen concentratie en spreiding. We hebben het over Lissabon dat ten tijde van de dictatuur van António Salazar nauwelijks toeristen trok. De eerste toeristen na 1970 gingen vooral naar de pittoreske steden Sintra, Estoril en Cascais, ongeveer dertig kilometer buiten de stad. Ook Belém dat op ruim zes kilometer buiten het stadscentrum ligt, trok van oudsher toeristen. Maar pas na 1990 gingen toeristen weer naar Lissabon, dat nu ineens met ‘overtoerisme’ te maken kreeg. In tegenstelling tot Parijs en Londen blijft de regio van Lissabon gewoon populair onder toeristen. Het huidige ruimtelijk-toeristische beleid richt zich op de oeverpromenade tussen Belém en het centrum van Lissabon waar menig attractie uit de grond wordt gestampt. Ook dit zou je regionale spreiding kunnen noemen.

Dat toeristen zich concentreren in het centrum wordt in de hand gewerkt door de toename van het aantal autovrije straten en het aanleggen en opknappen van stadsparken en pleinen die toeristen meer wandelruimte bieden. En met het verdwijnen van de scheepvaart en de havens, in onder andere Londen en Lissabon, kreeg de stad er veel nieuwbouw bij aan nieuwe oeverpromenades. De drukke historische binnenstad die hierop werd aangesloten zag zich verrijkt met een ‘toeristenventiel’ dat de actieradius van toeristen vergrootte. Deze oeverpromenades brachten ook toeristen en recreanten dichter bij elkaar, hetgeen je ook in de stadsparken ziet gebeuren. 

Industriecultuur als kernimago

Dan is er nog een andere vorm van regionale spreiding van toeristen. Een goed voorbeeld daarvan is het Ruhrgebied. Hier werd vanaf het begin ingezet op stadstoerisme in de regio. De attracties kwamen tussen de steden in te liggen. Dat kon alleen maar een succes worden als de betreffende regio een sterk imago kreeg, een kernimago, waar alle steden en dorpen zich rekenschap van gaven. Dat kernimago werd, na veel inspraak en overleg, de industriecultuur.  

De grote steden in het Ruhrgebied, waar vrijwel alle hotels zitten, ontwikkelden vervolgens een eigen toeristisch beleid dat zoveel mogelijk aansloot op het beleid van de overkoepelende regionale organisatie, Metropole Ruhr. Spreiding van toeristen in het Ruhrgebied regelde zich vervolgens zelf en dat is allemaal te danken aan ruimtelijk beleid dat met een bouwtentoonstelling, de IBA, in gang is gezet.

De meeste regio’s in Nederland zetten daarentegen in op landelijk toerisme en buitenrecreatie, zoals bijvoorbeeld de Stuurgroep Van Gogh Nationaal Park in Brabant doet en het Samenwerkingsverband Zuid-Limburg. In beide regio’s nestelden zich in het verleden overigens al grote landelijke attracties, zoals de Efteling in Brabant of het Drielandenpunt in Limburg. En wat te denken van Valkenburg? Is dat landelijk of stedelijk toerisme? Zo’n toeristische regio heeft overigens geen duidelijke ruimtelijke grenzen, want het kernimago bepaalt in wezen de attractiewaarde.

Score omvang dagrecreatie per gemeente in MRA

Attracties als magneten

De ietwat bizarre situatie doet zich nu voor dat het beleid voor de binnenstad van Amsterdam zich richt op het beperken van toerisme, terwijl prognoses van het MRA uitgaan van een toename van toerisme en recreatie. Alleen ‘kwaliteitstoeristen’ mogen volgens het beleid van Amsterdam Partners in de toekomst op een warm onthaal rekenen, ook al zal de gemeente zelf stug volhouden dat iedereen welkom is. Of de ‘niet-kwaliteitstoerist’ dan vanzelf naar de regio zal gaan, die vraag blijft onbeantwoord. Er staat kortom veel toerismebeleidstaal in menig onderzoek.

Met 333 dagattracties blijft Amsterdam een onweerstaanbare magneet voor toeristen en recreanten

De werkelijkheid is een andere. Je kunt toeristenwinkels weghalen, hotels verbannen naar de regio, de prostitutie verplaatsen en drugs reguleren, toezicht houden en bestemmingsplannen aanpassen, maar met 333 dagattracties blijft Amsterdam een onweerstaanbare magneet voor toeristen en recreanten. Die attracties haal je niet zomaar weg, sterker nog, er komen er steeds meer bij. En dan hebben we het nog niet gehad over de historische binnenstad, een Unesco-monument, dat de grootste attractie is.

Eerder zou de toeristensector zich mijns inziens mogen buigen over de gevolgen van de beleidsmatig nagestreefde verandering van verblijfs- naar dagtoerisme. Deze verandering is namelijk het logische gevolg van het Amsterdamse accommodatiebeleid dat hotels en vakantieverhuur (Airbnb) beperkt in de binnenstad en sommige wijken er omheen. En de ruimtelijke sector zou zich meer mogen verdiepen in de ruimtelijke allocatie van al die attracties, de bijbehorende infrastructuur met looproutes en ‘toeristenventielen’ die de druk wegnemen van het centrum. En er zou ook grondig nagedacht mogen worden over wat die toeristische regio van Amsterdam eigenlijk is. Komt die wel overeen met de MRA?

En als al die spreidingsvarianten niet mogen helpen en de aantrekkingskracht van de Amsterdamse binnenstad onverminderd groot blijft, dan kan wellicht een andere toeristenregio verderop ontwikkeld worden die de concurrentie met de MRA aangaat. Enkele attracties uit Amsterdam zouden aldaar prima tot hun recht kunnen komen. Het Van Goghmuseum in Brabant, waarom niet?

Maar nog beter is het om eerst eens goed samen te werken. Een stedenbouwkundige weet immers weinig van toerisme en een toerisme-expert weinig van stedenbouw. Laten we met een symposium beginnen.

ROm/Stadszaken organiseert eind juni een middagsymposium over integraal toerismebeleid in de regio. Met het Ruhrgebied als voorbeeld zet dit symposium het integrale beleid van de MRA, Noord-Brabant en Zuid-Limburg naast elkaar. Houd onze agenda in de gaten.

Stedenbouwkundige Paul Kurstjens probeert al jaren vanuit historisch-stedenbouwkundig perspectief grip te krijgen op de toeristische ontwikkeling van steden. Dat heeft geleid tot een dossier van inmiddels een twintigtal YouTube-filmpjes, zie: www.kurbin.nl/toerisme  

Gerelateerde Artikelen
Link gekopieerd naar klembord