Inschrijven voor nieuwsbrief
Woningbouw

Weer een Rijksbouwmeester die niet over woningbouw wil praten

Auteur Jos Feijtel

03 november 2022 om 12:47, Leestijd ca. 4 minuten

Een van de belangrijkste adviseurs van Hugo de Jonge, Rijksbouwmeester Francesco Veenstra, vindt het bouwen van woningen niet het goede onderwerp. ‘We moeten de bestaande gebouwen beter gebruiken’ en ‘we hebben heel veel woon-vierkante meters per inwoners’, zei hij tegen Cobouw. Ik ben altijd erg benieuw hoe groot of klein pleitbezorgers voor minder vierkante meters zelf wonen en of ze om als ze bovengemiddeld wonen, vrijwillig voor inkwartieren zijn.

Een voorganger van Veenstra, Frits van Dongen vond dat we geen traditionele nieuwbouwwoningen meer nodig hadden. Bij zijn afscheidsspeech in 2015 zei hij: ‘Zoveel leegstand betekent dat de focus van nieuwbouw naar hergebruik en transformatie moet verschuiven’.

Zijn opvolger Floris van Alkemade pleitte in 2017 voor een serieuze ‘wouwstop’. Hij verdedigde de stelling dat met transformatie het hele woningtekort zou zijn op te lossen. Van Alkemade deed dat nota bene bij de presentatie van het WoOn 2016, waarin onomstotelijk de grote nieuwbouwbehoefte herhaald werd vastgesteld. Evenals de ook in alle voorgaande onderzoeken als vastgestelde voorkeur van actief woningzoekenden naar een eengezinswoningen in plaats van appartement. Voorkeur voor een woonmilieu: niet stedelijk.

Na van Alkemade werden we verblijd met Veenstra. In z’n eerste uitingen leek er nog enige nuance in zijn opvattingen, maar uiteindelijk schuift hij met zijn ‘We moeten het niet over bouwen van woningen hebben’ in de traditie van zijn voorgangers. Wie zoekt die Rijksbouwers toch zo uit dat we altijd met freischwebende intelligenz te doen hebben en nooit met mensen die met de poten in de klei hebben gestaan?

‘Bouwen in de buurt’; niet voor de buurt.

Het College van Rijksadviseurs waaraan Veenstra leidinggeeft, heeft heel recent een nieuwe publicatie het licht doen zien: ‘Bouw in de buurt’. De titel doet denken aan de tijd van wethouder Jan Schaeffer in Amsterdam die van Bouwen voor de Buurt zijn motto had gemaakt. Maar van diens kordaatheid, diens concreetheid en diens enthousiasme om echt woningen toe te voegen, is in de publicatie niets terug te vinden.

Wel natuurlijk weer de vergelijking met het aantal woon-vierkante meters in Duitsland: daar hebben mensen gemiddeld 45 vierkante meter, in Nederland 64. Uiteraard wordt er niet bij vermeld dat bij de oosterburen ouderen vaak noodgedwongen bij hun kinderen in huis komen wonen omdat die kinderen anders de kosten voor de huisvesting in een zorginstelling moeten betalen. Ook wordt niet vermeld dat de grote aantal voormalige Oost-Duitse woonblokken met woninkjes van 25 vierkante meter het gemiddelde fors drukken.

Volgens ‘Bouw in de buurt’ is er van alles mis met het toevoegen van nieuwe woonwijken. Het moet allemaal binnenstedelijk gaan plaatsvinden. De suggestie is dat het radicaal anders moet: focus op ‘de groei naar binnen’. Volgens eigen onderzoek van het College van Rijksadviseurs is tussen 2005 en 2020, tot hun eigen blijde verrassing, twee derde van de nieuwbouwwoningen binnen de bestaande woonbuurten gerealiseerd. Het gaat om 450.000 van de 720.000 gebouwen woningen.

Tel je zegeningen, zou ik denken, en ga zo door. Blijkbaar gaat het zonder de nieuwe focus van de elite van beleidsmakers en urbanisten automatisch al de goeie kant op. Maar neen, volgens de Rijksadviseurs gaat alle aandacht uit naar uitbreidingen terwijl er voor inbreidingen nauwelijks oog is.

Voorbij aan het WoOn

Het is volgens de publicatie verder ‘een groot misverstand om te denken dat er nog meer huizen met tuinen nodig zijn voor gezinnen’. De voetnoot daarbij is heel interessant: ‘Dit misverstand wordt versterkt doordat veel ontwikkelaars, beslissers en ambtenaren zelf in de fase zitten dat ze behoefte hebben aan zo’n huis’. Blijkbaar vinden de schrijvers dit ook maar een matige onderbouwing. Om het een zweem van wetenschappelijkheid te geven wordt daaraan toegevoegd: ‘dit verschijnsel staat bekend als de representativiteitsheuristiek’.

Zo’n niet onderbouwde stelling dat er geen huizen met tuinen meer nodig zijn, gaat voorbij aan twee zaken. Allereerst wordt keer op keer in de driejaarlijkse WoOn-onderzoeken van BZK aangetoond dat 70 procent van de actieve woningzoekenden liefst een woning met een tuintje heeft. Ten tweede is de stelling in de publicatie dat bouwen voor senioren een ‘cascade’ aan verhuizingen zal opleveren, volgens die onderzoeken pertinent onjuist.

Slechts een heel erg kleine groep senioren is (actief) verhuisgeneigd. Die cascade komt er dus niet. Als we wachten tot die generatie is overleden staan alle categorieën woningzoekend (zie opnieuw WoOn 21) en dus ook ouderen(!) in de rij om zo’n grondgebonden woning te bemachtigen. Alle reden om de huidige verdeling in de nieuwbouw van 60 procent appartementen en 40 procent grondgebonden woningen om te keren naar 30 – 70.

Ik doe het College van Rijksbouwmeesters tekort met ze enkel beoordelen op hun nieuwbouwplannen. De aandacht die ze vragen voor woningbouw in en dicht bij de kernen en daarbij vooral ook te kijken naar alle andere aspecten van leefbaarheid, bereikbaarheid en (fiets)mobiliteit is zeker terecht. Maar het is absoluut te krampachtig door alleen ‘naar binnen’ te willen kijken. In combinatie met idee van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) om elke stad, dorp en dorpskern er een paar straten bij te laten bouwen, komen we wellicht nog eens ergens.

Gerelateerde Artikelen