Paul A. Roncken (NL, 1972) is landschapsarchitect, docent, schrijver en wetenschapper. Hij is zelfstandig adviseur en directeur van NatuurCollege. Als docent en onderzoeker is hij al 25 jaar verbonden aan Wageningen Universiteit en tussen 2015 en 2023 was hij de provinciaal bouwmeester van de provincie Utrecht.
De verandering naar een duurzaam energiesysteem is een van de meest bekende oplossingen voor het klimaatprobleem. Zonne- en windenergie vragen een indrukwekkend arsenaal aan nieuwe masten, kabels en transformatorstations. Deze veranderingen zijn niet weg te stoppen, niet in het stedelijk gebied en niet in het landelijk gebied.
Dit artikel staat in ROm juli 2025. ROm is een maandelijks vakmagazine over ruimtelijke ontwikkeling en de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren en bestuurders-politici in dat beleidsdomein. Voor informatie over abonnementen klik hier.
De Nederlandse energietransitie bevindt zich in een merkwaardige fase. Enerzijds zijn we Europees koploper in zonnepanelen en historisch verzot op karakteristieke windmolens, anderzijds blijft er maatschappelijke weerstand tegen grootschalige wind- en zonprojecten op landbouw- of natuurgrond. Er zit een stevige rem op de ontwikkeling van energieopwek op land en veel ontwikkelaars zoeken hun heil in Europese buurlanden. Het probleem is niet zozeer technisch als wel bestuurlijk en cultureel en hangt af van de kwestie hoe je draagvlak creëert voor veranderingen die noodzakelijk zijn maar niet altijd gewenst?
Naar een verleidelijker toekomst
Het deel van het antwoord ligt misschien in wat bijeengekomen experts aan Wageningen Universiteit een "21e eeuws cultuurlandschap" noemen: nergens meer een eenzijdige functie, altijd een combinatie van water, biodiversiteit en eerlijke voedselproductie. Met als uitgangspunt "een 100 jaar perspectief, meergeneratiedenken." Dat vraagt om iets wat Nederland traditioneel goed kan: polderen. Maar dan wel een vorm van polderen die verder gaat dan het verdelen van lasten en lusten. Het vraagt om een gedeelde visie op hoe Nederland er over vijftig en 100 jaar uit moet zien. En misschien vooral: de moed om die visie daadwerkelijk na te streven, in plaats van te blijven knutselen op projectniveau.
Een terugkerende vraag is hoe we samen willen leven in dit kleine, volle land. En voor dit leven hebben we energie nodig. ‘Energie’ die zichtbaar wordt in meer dan alleen maar goede bedoelingen en technische oplossingen. Zijn er niet al verhalen te vertellen die verleidelijk genoeg zijn om er samen naartoe te willen werken?
‘Je moet je eigen koers aanhouden en energie is iets dat je zelf in eigen handen kunt nemen.’ (Henk Jan Soede)
Het opgewekte buitengebied
In het energieke gevecht om grond tekent zich een hoopvolle wending af: sommige gemeenschappen met veel landelijk gebied lijken eindelijk te begrijpen dat de energietransitie en het buitengebied niet elkaars vijanden hoeven te zijn. Ze kunnen juist elkaars redding zijn. Dat was ook wel te verwachten. Als je decennialang het platteland behandelt als een soort openluchtmuseum of als een anonieme werkvloer voor de heilige graal van agrarisch ondernemerschap, en dan ineens met miljarden aan subsidies komt aanzetten om er industriële energiefabrieken neer te zetten, ontstaat er wrijving. Een vat vol tegenstrijdigheden.
De paradox is prachtig in zijn absurditeit. In Vinkeveen wilden boeren best een turbine, maar vanuit een flatgebouw in Abcoude keken ze er liever niet tegenaan. Uiteindelijk wilde niemand de turbine. Andersom werden mensen die eerst tegen windmolens waren, er later ‘eigenlijk best aan gehecht’. Zo ontstaat het Nederlandse compromis: eerst tegen, dan gewend, uiteindelijk onmisbaar.
Hoogleraar en Deltacommissaris Co Verdaas observeert droogjes: ‘In de huidige politieke en maatschappelijke situatie buitelen en struikelen veel politici, belangengroeperingen en onderzoekers soms bijna over elkaar heen bij het inzetten op verandering en beleid.’ Een elegante omschrijving voor wat gewone stervelingen “chaos” zouden noemen. Verdaas pleit voor ‘enige ontspanning’ - een luxe die Nederlandse beleidsmakers zich zelden veroorloven. Hij waarschuwt dat we, zolang we ‘de richting over de toekomst van deze delta in de komende vijftig jaar nog onvoldoende met elkaar hebben uitgediscussieerd’, blijven ‘knutselen op projectniveau’. Knutselen - het Nederlandse werkwoord bij uitstek voor wat eigenlijk strategische planning zou moeten zijn.
Pragmatisch struikelen richting een toekomst die niemand precies kan voorspellen, maar die we samen wel moeten vormgeven
De (voormalig) Rijksadviseur voor het landschap, Jannemarie de Jonge, is kritisch op al te gemakkelijke visievorming: ‘Er worden mooie landschapsvisies gemaakt, maar met weinig verstand van sociale processen, lokale verstandhoudingen, investeringen, techniek en netwerk.’ Met andere woorden: we tekenen prachtige plaatjes maar begrijpen niet hoe de werkelijkheid in elkaar steekt. Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie: dat we nog altijd moeten leren hoe om te gaan met verandering. Dat leren doen we op de meest Nederlandse manier: pragmatisch struikelen richting een toekomst die niemand precies kan voorspellen, maar die we samen wel moeten vormgeven.
In een tijd waarin iedereen roept dat we haast hebben, hervinden sommige delen van Nederland een bijzondere vorm van geduld. Door te investeren in luisteren. En het erkennen dat complexe problemen geen eenvoudige oplossingen hebben. Dat is misschien wel de moeilijkste les van allemaal.
Er was eens...
Er was eens een tijd dat de grootste zorgen van een boer de weersverwachting en de melkprijs waren. Tegenwoordig krijgt hij bezoek van energieontwikkelaars die hem bedragen aanbieden waar zijn grootvader van zou zijn flauwgevallen, terwijl de provincie tegelijkertijd vraagt of hij niet wat meer weidevogels wil huisvesten. In dat sprookje heeft de gemeente Dalfsen inmiddels de stiefmoeder met de giftige appel ontdekt. Thijs Mosterman, projectleider energietransitie en recycling, vertelt aan iedereen die het horen wil over de lessen die zij hebben geleerd. De eerste generatie van acht windturbines is met een provinciaal inpassingsplan afgedwongen en werden als 'Japanse molens' gefinancierd door een Japans pensioenfonds. Geen dialoog en geen compensatie voor de omwonenden.
‘Zodra er een commerciële partij bij is met geld, dan ga je glijden...’ (Thijs Mosterman)
De tweede generatie kwam opnieuw tot stand vanuit provinciale dwang maar deze keer met meer dialoog. Het aangewezen zoekgebied leek voor veel energiemensen leeg, maar bleek waardevolle weidegrond ingebed in een sociale harmonie die onder spanning kwam te staan. Mosterman: ‘Wij vormen als gemeente een hechte gemeenschap en kennen een rustig politiek klimaat, we zijn toekomstgericht en coöperatie gedreven. We komen elkaar tegen op bruiloften en begrafenissen, dan moet je elkaar in de ogen kunnen blijven kijken.’
De dialoog met omwonenden leverde op dat er geen persoonlijke winstuitkeringen werden uitgedeeld maar in plaats daarvan 100 procent eigendom van de windturbines voor de gemeenschap. ‘De buren van de grondeigenaren hadden maximaal invloed en we doorliepen een gemiddelde doorlooptijd zonder tegenwerking.’ Waar vind je dat nog?
Grensontkennend werken
Het is nog niet klaar met het de-bunken van sprookjes en het uitvinden van de werkelijkheid. De derde generatie is een stuk lastiger. Drie gemeenten in dit Overijsselse gebied werken samen omdat de ruimte nog schaarser is geworden. Voor de groene compensatie in de vorm van hagen, boomstructuren en kikkerpoelen is niet zomaar behoefte of plek. Er is een schaalsprong nodig in de vorm van een gebiedsfonds om groenblauwe diensten uit te financieren die door de boer kunnen worden uitgevoerd. Met dit verlanglijstje in de hand staat niet de energieopgave voorop, maar staat de visie op het gehele landelijk gebied centraal. De opwek van energie, als verdienmodel, heeft daar een gunstig effect op.
Ook is het zaak om grensconflicten te voorkomen. Er wordt “grensontkennend” gewerkt gericht op de sociaaleconomische toekomst van lokale gemeenschappen die circulariteit, biobased productie en duurzaam waterbeleid omarmen. ‘Het is een verandering van tijdperk. Meer sociaal, lokaal en ruimtelijk in plaats van sectoraal en marktgedreven’, signaleert Thijs Mosterman
Het Verhaal van Henk Jan
Henk Jan Soede, agrariër in een polder tussen Loenen en Nigtevegt, vertelt het verhaal dat veel boeren herkennen. Eerst probeerde iedereen individueel duurzaam te worden – zonnepanelen op het dak, een kleine windmolen – maar al snel liepen ze tegen de grenzen van het energiesysteem aan. ‘De laatste die zijn dak vol wilde leggen. kreeg te horen dat het netwerk nu vol zit.’
De oplossing? Een schaalsprong. ‘Wat grotere molens voor een algemeen belang, niet alleen voor ons eigen gebruik.’ Van de twintig boeren zagen er achttien het wel zitten en richtten ze een coöperatie op. Het draagvlak in de omgeving valt echter tegen: ‘We hadden gehoopt op een grotere stem van jongeren vanuit de dorpskernen die hun toekomst willen vormgeven, maar het zijn vooral 70-plussers die aan de Vecht wonen en bang zijn voor hun uitzicht.’
De werkelijke winst, zo beseft Soede, zit niet op het perceel waar energie wordt opgewekt, maar ‘in de omgeving eromheen. Dan heb je zoiets als een gebiedsfonds nodig.’ Een inzicht dat de kern raakt van wat energietransitie zou kunnen zijn: niet het optimaliseren van individuele percelen, maar het versterken van hele gemeenschappen. Het kan en het gebeurt al. Windpark Deil brengt zoveel geld op dat de energiearmoede van een hele regio kan worden opgevangen.
Emancipatie van het buitengebied
‘Waar het voor overheden vaak als complex wordt ervaren om vraagstukken met elkaar te verbinden, is dat voor bewoners eigenlijk heel logisch en misschien wel de enige manier die juist voelt’, constateert Jacqueline Bulsink die vanuit de topsector energie een inventarisatie maakt van voorbeeldgebieden hoe de energietransitie de landbouwtransitie kan helpen versnellen. ‘Vanuit een gebied durf je samen na te denken over de lange termijn, omdat de relaties ook langjarig zijn. Mensen bij instituties wisselen vaak en beginnen telkens opnieuw.’
De transformatie in het Nederlands buitengebied gaat over de vraag hoe we als samenleving - en niet als energiesector - willen omgaan met verandering
Het oude paradigma was simpel: energie hoorde thuis op plekken die toch al niets voorstelden. Restgronden, uithoeken, plekken waar niemand last van zou hebben. Het nieuwe denken keert dit om. Zonnepark Zuidvelde in de gemeente Noordenveld, beslaat ongeveer 35 hectare aan natuur en open ruimte en 74 hectare aan zonnepanelen. Rijksuniversiteit Groningen en Stichting Grauwe Kiekendief monitoren daar hoe de populatie akkervogels erop vooruitgaat, zoals verwacht en verplicht gesteld bij de aanbestedingsprocedure.
Gemeente Utrechtse Heuvelrug overweegt, net als Dalfsen, om 100 procent eigenaarschap op zich te nemen en de samenhang met de toekomst van het buitengebied te begeleiden. Ook bij hen is de visie op het landelijk gebied leidend en past de opwek van energie zich daaraan aan. Het is een inzicht dat eigenlijk voor de hand ligt: waarom één probleem oplossen als je er drie aan kunt pakken? Er is een duidelijke trendlijn voor gemeentelijke samenwerking vanuit een geïntegreerde sociale, energie- en klimaatstrategie.
De transformatie in het Nederlands buitengebied gaat over de vraag hoe we als samenleving - en niet als energiesector - willen omgaan met verandering. Willen we die tegenhouden, wegmoffelen of omarmen als een stimulans om de toekomst zelf vorm te geven? De goede voorbeelden - die er wel degelijk zijn - wijzen één richting op: tegen de stroom van polarisatie en netcongestie in, naar meer zelfbeschikking én meer gemeenschapsvorming. De emancipatie van het buitengebied? Het buitengebied is daarmee toonaangevend en een voorbeeld voor menig stedelijk gebied.



