‘We hebben in het verleden gemerkt dat cruciale momenten soms ongemerkt voorbijgaan’, vertelt Dorien Visser (PvdA), met Renske Zieverink-Veenstra (Deventer Belang) initiatiefnemer van het procesdocument ‘Bestuurlijke werkwijze grote ruimtelijke ontwikkelingen’.
‘Een ambtelijke organisatie sluit een overeenkomst met een ontwikkelaar, het college van B en W is betrokken, maar de gemeenteraad weet van niets. Dan loop je als volksvertegenwoordiging direct achter de feiten aan.’
In Deventer staan meerdere grote gebiedsontwikkelingen op stapel, zoals de herontwikkeling van het Senzoraterrein, het Rototerrein en de voormalige tapijtfabriek. Ook in het buitengebied en rondom dorpen in de gemeente zijn plannen voor grootschalige woningbouw.
‘De bestuurlijke aanpak hiervan verschilt nu nog sterk per project’, zegt Visser. Soms is het proces gedetailleerd uitgewerkt, in andere gevallen blijft het globaal. Dat leidt geregeld tot onduidelijkheid en discussie, ook in een later stadium. Met het nieuwe voorstel willen Visser en Zieverink-Veenstra daar verandering in brengen.
‘Als raad stellen we nu vaak pas kaders nadat een ontwikkelrichting al is gekozen’, zegt Visser. ‘Maar als je vooraf scherp bent over bijvoorbeeld bouwhoogtes, biodiversiteit of de invulling van de openbare ruimte, voorkom je vertraging achteraf.’
Stappenplan met startdocument
De kern van het voorstel is een eenduidige werkwijze voor ruimtelijke ontwikkelingen van een zekere omvang. Die grens ligt bij minimaal twaalf woningen in dorpen en vijftig binnen de stad.
Voor zulke projecten geldt voortaan een vaste volgorde van besluitvorming in vier stappen: een startdocument, een ontwikkelperspectief, een masterplan en, tenslotte, de wijziging van het omgevingsplan. De raad krijgt in elke stap een expliciete rol.
Bij de eerste stap, het startdocument, stelt het college van B en W de gemeenteraad op de hoogte van de aanleiding, wenselijkheid en haalbaarheid van het initiatief. Dit geldt zodra een intentieovereenkomst is gesloten,
Een belangrijk aandachtspunt in deze fase is de manier waarop participatie wordt georganiseerd. De Omgevingswet verplicht initiatiefnemers om dit in een vroeg stadium op te pakken. Maar in de praktijk verloopt dit volgens Visser vaak stroef: ‘Niet alle bewoners worden goed meegenomen. Als de gemeente dat proces zelf faciliteert, gaat het meestal beter.’
Hoewel er al participatiebeleid bestaat, is de uitvoering grotendeels vrijblijvend. De gemeente kan alleen op intenties sturen, niet op verplichtingen. ‘Dat is een zwakte in de Omgevingswet’, aldus Visser. Door een duidelijk startdocument in de gemeenteraad te brengen, krijgt ook de buurt te weten dat er wat speelt. Dit draagt bij aan een meer transparante werkwijze van onze lokale overheid.
Kaders en verwachtingen
Het tweede document, het ontwikkelperspectief, bevat de strategische kaders en uitgangspunten voor de fysieke leefomgeving. Denk aan de stedenbouwkundige opzet, duurzaamheid, parkeren en klimaatadaptatie. De raad besluit expliciet over deze kaders.
In het daaropvolgende masterplan werkt de initiatiefnemer de plannen verder uit. De gemeenteraad beoordeelt in hoeverre het plan binnen de eerder vastgestelde kaders past. Pas daarna volgt de juridische verankering via het omgevingsplan.
Bij de uitwerking van hun plannen zijn de twee raadsleden niet over één nacht ijs gegaan. ‘We zijn hier vorig najaar mee begonnen’, zegt Visser. ‘Het was een lang en intensief traject, met in het begin ook weerstand vanuit het ambtelijk apparaat en het college. Maar door het gesprek aan te gaan, kregen beide kanten meer inzicht in elkaars rollen en verwachtingen.’
Bij het opstellen van het voorstel hebben de initiatiefnemers ook gekeken naar andere steden. In Zwolle bestaat een soortgelijke werkwijze, maar daar is de rol van de raad bij de start nog steviger verankerd. Dat is in Deventer niet nodig, denkt Visser. Ze keek ook naar Arnhem en Enschede, waar de aanpak ook iets verschilt.
Breed gedragen
Het voorstel werd vorige week beeldvormend besproken in de raad. Alle fracties reageerden positief en hebben zich inmiddels als mede-indiener aangesloten. Woensdag is het voorstel als hamerstuk aangenomen. Daarna gaat de nieuwe werkwijze direct in.
Evaluatie volgt in het derde kwartaal van 2027. Dan wordt onder meer gekeken of de drempels van twaalf en vijftig woningen nog passend zijn, hoe vaak van de procedure is afgeweken, en welke lessen daaruit te trekken zijn.
‘Het is geen blauwdruk’, zegt Visser, ‘maar een duidelijke leidraad. Het helpt ons om als raad in positie te blijven en onze rol goed te vervullen.’


