
Rijnpark, Het Broek, Nieuwe Haven en Cleantech Park Arnhem
In de Spoorzone Arnhem-Oost worden vier bedrijventerreinen in samenhang versterkt: Rijnpark, Het Broek, Nieuwe Haven en Cleantech Park Arnhem.
Rijnpark, een verouderd terrein, wordt getransformeerd tot woon-werkgebied met ruimte voor 7.000 woningen en 5.000 banen. Mengbare bedrijven (dienstverlening en lichte industrie) krijgen hier een plek, terwijl bedrijven met hoge milieubelasting verhuizen naar Het Broek, Nieuwe Haven of Cleantech Park Arnhem. Het Broek blijft gericht op bedrijven met milieucategorie 3 of hoger, cruciaal voor circulaire economie en energietransitie. Nieuwe Haven richt zich op watergebonden bedrijvigheid en maritieme maakindustrie. Cleantech Park Arnhem biedt ruimte aan bedrijven in energie-innovatie en circulaire technologie. De gemeente werkt aan een gebiedsvisie voor de drie terreinen, gericht op 2040. Belangrijke doelen: meer ruimte voor bedrijven, beter benutten van kavels en milieuruimte, en een aantrekkelijke, duurzame en goed bereikbare werkomgeving. ‘Het juiste bedrijf op de juiste plek’ blijft het leidende principe.
Bedrijven zijn relatief honkvast: 89 procent verhuist binnen de eigen provincie, 81 procent zelfs binnen de eigen regio. ‘Oost west, thuis best,’ noteert Gert-Jan Hospers, bijzonder hoogleraar sociale geografie aan de Radboud Universiteit, in zijn Handboek Stedelijke Economie. En als bedrijven al verplaatsen, gebeurt dat vaak vanuit praktische, niet-strategische motieven, zoals een gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden. Bedrijventerreinen zijn bovendien niet langer het melkkoetje van de gemeentekas. Ruimte voor economie staat onder druk door woningbouw, terwijl autonome groei en transities juist extra vraag naar economische ruimte creëren.
Regionale afstemming biedt uitkomst — met de schaduw van de provincie die erboven hangt
Volgens Paul Bleumink, partner bij Buck Consultants International (BCI), is de sturende rol van de provincie daardoor belangrijker geworden. ‘Gemeenteraden zijn terughoudender bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen, mede door de vele procedures en omdat woningbouw politiek beter verkoopbaar is.’ Regionale afstemming biedt uitkomst — met de schaduw van de provincie die erboven hangt.
Behouden op eerste plaats
Het Regionaal Programma Werklocaties (RPW) is onderdeel van de provinciale omgevingsverordening en geldt voor alle gemeenten in de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (GMR). Als een gemeente zich er niet aan houdt, kan de provincie optreden.
De GMR hanteert in het RPW een handelingsperspectief in vijf stappen. Op één staat het behoud van bestaande werklocaties, vooral die met een hoge milieugebruiksruimte (milieucategorie 3 of hoger). De regio zet sterk in op circulaire economie — en die is niet altijd ‘schoon’. Gemeenten die milieuruimte willen afwaarderen of terreinen willen transformeren, moeten daarom een compensatieplan opstellen.
Stap twee is ruimtelijk beter benutten, oftewel fysieke intensivering. Doel: bedrijventerreinen efficiënter gebruiken, zodat minder nieuwe ruimte nodig is. Dat kan door hoger te bouwen (minimaal twee bouwlagen), aanbouwen toe te staan of leegstaande panden te herstructureren. Het RPW streeft voor nieuwe terreinen naar een floor space index (FSI) van minimaal 1,4. Dat betekent dat bij twee bouwlagen minstens 70 procent van de kaveloppervlakte bebouwd moet zijn.
De GMR wil hiermee tien procent ruimtewinst realiseren in 2025–2028 en twintig procent op langere termijn. ‘Als je wilt groeien, moet je in de hoogte bouwen. We geven geen vergunning voor meer parkeerterrein, maar wel voor uitbreiding op je eigen kavel — mits je hoger bouwt. Dat is de stok achter de deur,’ aldus Huub Hieltjes, burgemeester van Duiven en portefeuillehouder toekomstbestendige werklocaties bij de GMR.
Strak beleid voor functies
De derde stap is functioneel beter benutten: het juiste bedrijf op de juiste plek. Bedrijven met lage milieubelasting verplaatsen naar gemengde woon-werkgebieden, zodat ruimte vrijkomt voor bedrijven die hoge milieucategorieën nodig hebben, zoals circulaire productiebedrijven. Herstructurering en verhuizing zijn daarbij de belangrijkste instrumenten, ondersteund door financiële en planologische prikkels.
Bedrijven met lage milieubelasting verplaatsen naar gemengde woon-werkgebieden
De vierde stap richt zich op functiecombinatie waar dat mogelijk is, ter ondersteuning van de vorige stap. Zo wordt in het nieuwe woon-werkgebied Rijnpark in Arnhem gestuurd op verplaatsing van ‘mengbare bedrijven’ die kostbare milieuruimte bezet houden op bedrijventerreinen (zie kader).
Stap vijf: als behoud, intensivering en herstructurering onvoldoende ruimte opleveren, voorziet het RPW in 45 hectare nieuwe ontwikkelruimte — nadrukkelijk bedoeld als schuifruimte.
‘Pitchen’ voor uitbreidingsruimte
Gemeenten of private partijen die aanspraak willen maken op de 45 hectare nieuwe ruimte, dienen een plan in bij het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (IOW). Dat plan moet voldoen aan strikte criteria voor regionale meerwaarde (bijdragen aan topsectoren health, hightech of energy, of aan circulaire economie), duurzaamheid, bereikbaarheid en financiële haalbaarheid.
De best scorende plannen krijgen een deel van de ontwikkelruimte toegewezen. De provincie kijkt integraal mee. Om problemen te voorkomen, worden locatiekeuzen en trancheverdeling vooraf aan Gedeputeerde Staten voorgelegd. Gemeenten die niet geselecteerd worden, moeten hun plannen aanpassen of wachten op de volgende RPW-periode.

Impressie van BIC-2. Beeld Gemeente Eindhoven/SDK Vastgoed
Metropoolregio Eindhoven
Ook de Metropoolregio Eindhoven (MRE) heeft een belangrijke rol bij de programmering van werklocaties gekregen, waar subregio’s voorheen hun eigen programma’s maakten. Complexiteit van de opgaven en stapelende ruimteclaims vroegen om meer afstemming. Daarom ligt er nu één regionale programmering.
De MRE baseert zich op behoefteprognoses van het Economische Instituut voor de Bouw (EIB). Naast de kwantitatieve behoefte wordt onderscheid gemaakt in de categorie campussen/innovatiedistrict, gemengd stedelijk, regulier, grootschalige productie (1 hectare of meer) en grootschalige distributie (3 hectare of meer). Tot 2030 bestaat nog een behoefte aan 240 hectare aan werklocaties.
Met name rond grootschalige logistieke locaties wil de MRE scherper keuzes maken. Er is géén ruimte meer in de Brainport voor footloose logistiek. Net als in De GMR wordt regionale meerwaarde leidend bij grootschalige bedijfslocaties.
Programmeringsafspraken worden bij unanimiteit vastgelegd
Op het moment wordt er gewerkt aan een beoordelingssystematiek voor regionale meerwaarde. HTSM (hightech systems and materials) en andere toeleverende industrie, die past binnen het opgestelde economische profiel van de regio, worden sowieso gefaciliteerd. Ook is de regio bezig met een regionaal uitgifteprotocol om ruimte die nog is te vergeven zo optimaal mogelijk aan te wenden. De MRE wil werken met een zogenaamde ‘positieve lijst’ van bedrijvigheid die het wil faciliteren, voorlopig alleen op nieuw uit te geven grootschalige locaties. Door zo specifiek mogelijk aan te geven welke bedrijvigheid passend is bij het regionale profiel, zou dit kunnen resulteren in een soort ranglijst voor uitgifte. Deze ‘zeef’ moet nog juridisch worden getoetst.
Net als de GMR zet ook de MRE stevig in op intensivering, om zo het aantal nieuw te ontwikkelen hectares te kunnen beperken. De programmeringsafspraken worden bij unanimiteit vastgelegd op zogeheten ‘Omgevingsdagen’, die in de provinciale omgevingsverordening zijn omschreven als ‘regionaal omgevingsoverleg’. Wanneer er geen unanimiteit in besluitvorming is, heeft de provincie op basis van deze verordening de bevoegdheid - na alle partijen gehoord hebbende - om alsnog verbindende besluiten te nemen.


