
De energietransitie blijkt geen ruimtelijk probleem, maar een gebiedsvraag. Tijdens de bijeenkomst Ruimte en energie anders denken, op 4 december in Zwolle, lieten vernieuwers uit de wereld van landschapsontwerp, programmamanagement, gebiedsontwikkeling en energiecoöperaties zien hoe energieprojecten juist drager kunnen worden van natuurherstel, landbouwvernieuwing en lokale economie.
Niet meer inpassen, maar wederzijds aanpassen — en dat verandert de opgave radicaal. Waar de technische benadering van energie vastloopt, biedt het landschap zelf de sleutel. Bij het delen van praktijkverhalen blijkt hoe lokale initiatieven kunnen uitgroeien tot duurzame energiegemeenschappen, en waarom eigenaarschap daarbij allesbepalend is. De plek: de glazen tuinkamer van HANZ – met uitzicht op het groeiende en bloeiende kennis- en innovatiekwartier bij station Zwolle.
De gelegenheid: ruimtelijke professionals, energie-experts, bestuurders en gebiedsontwikkelaars zijn samen voor een middag die iets moet blootleggen wat in de dagelijkse praktijk vaak diffuus blijft: hoe je ruimte, landschap, landbouw, water, natuur en energie niet naast elkaar, maar als één samenhangend systeem ontwikkelt. Initiatiefnemer Paul Roncken, landschapsarchitect en aanjager van de NP RES-leerlijn, trapte af met te stellen: ‘We kijken te weinig bij elkaar af. Terwijl het wemelt van de initiatieven die al veel verder zijn dan de formele RES-aanpak.’
De bijeenkomst wil precies dat gat dichten: laten zien hoe gebiedsgerichte energieprojecten kunnen werken als je niet begint bij kilowatturen of netcongestie, maar bij de toekomst van het landschap zelf — en bij de mensen die er wonen en werken.
Initiatiefnemer Paul Roncken in gesprek tijdens een sessie in Zwolle. Beeld Maria Kolossa
Van inpassen naar wederzijds aanpassen
Roncken waarschuwt voor de reflex om energie "in te passen". ‘Dat woord heeft ons eigenlijk klemgezet,’ zei hij. ‘Energie wordt behandeld als een extern object dat je moet plaatsen zonder te veel schade. Terwijl de beste voorbeelden laten zien dat energie-infrastructuur juist drager kan zijn voor natuurherstel, nieuwe landbouwvormen, recreatie of lokale economie.’
Volgens hem ligt de sleutel in een gebiedsgerichte logica en niet in een technische opgave. De huidige RES-systematiek heeft de energiepartijen en betrokken overheden succesvol in beweging gebracht, zegt hij, ‘maar we hebben het teveel aan decentrale overheden overgelaten zonder de kennis bij elkaar te brengen. Het is nog steeds toeval of je elkaar in projecten tegenkomt.’
Natuurinclusief én energiepositief: de Heuvelrug als laboratorium
Landschapsarchitect Arda van Helsdingen (Waardenburg Ecology) laat zien hoe die gebiedslogica er in de praktijk uitziet. Haar team onderzoekt eerst de ecologische staat van een gebied: data over bodem, water, voedselwebben, migratiepatronen van vogels (o.a. met Robin Radar). Niet om energieplannen te toetsen, maar om te zien waar kansen liggen voor versterking van natuurkwaliteit. ‘Je moet eerst weten wie de bewoners van het landschap zijn,’ zegt ze. ‘Van daaruit kijk je pas welke energie-opwek daarop aansluit. Soms is één soort al genoeg om het hele web zichtbaar te maken.’
In het Kromme Rijngebied leidde dat tot de aanpak Van wie is de energie? — volledig van onderop. De gemeente bepaalde niet wat er moest gebeuren, maar de burgercoöperatie begeleidde bewoners, landgoedeigenaren en initiatiefnemers in een gezamenlijke zoektocht. Een baron stelde zijn landgoed ter beschikking voor pilots: en zet zijn pachters aan om energie-opwek in te zetten om de daling van de grondwaarde (van agrarisch naar natuurlijke functie) te compenseren. Er wordt nu gewerkt aan een gebiedstransformatie vanuit waterbeheer en biodiversiteit vanuit de verdiencapaciteit van energie-opwek. Dat werkte vooral omdat de overheid níet het initiatief nam. ‘Voor veel betrokkenen was het bijna een schok dat de gemeente geen plan neerlegde,’ aldus Van Helsdingen. ‘Er was ruimte om zélf te denken. Dat gaf ongelooflijk veel energie.’
Maar ze wijst ook op fricties. De provincie stuurt via het Programma Landelijk Gebied vooral op landbouw, natuur en water: ‘Daar past energie niet altijd soepel in. Terwijl het juist de sleutel kan zijn om de boel in beweging te krijgen.’

Arda van Helsdingen (landschapsarchitect bij Waardenburg) tijdens haar sessie in Zwolle. Beeld Maria Kolossa
Lochem, Borculo en Zutphen: kleine initiatieven als grote schakel
Jacqueline Bulsink (Topsector Energie/De Vlier) onderzocht drie casussen in de gemeente Lochem. Haar vraag: kan de energietransitie als vliegwiel dienen voor ándere transities?
Het antwoord: ja — mits het gesprek op de juiste manier begint. ‘Veel initiatieven ontstaan niet uit RES-plannen, maar uit lokale zorgen,’ vertelt ze. ‘Verdwenen heggen, uitdrogende natuur, boeren die worstelen met kosten en regelgeving.’
Een voorbeeld: hout uit landschapselementen dat normaal kostenpost of inkomstenderving betekent voor agrariërs, kan worden opgeslagen voor biodiversiteit én kan een verdienmodel zijn voor agrariërs. Maar daarvoor is wel meer kennis en begeleiding nodig over contractvorming en governance.
‘Boeren willen best bijdragen aan CO?-reductie of methaanverlaging,’ zegt Bulsink. ‘Maar ze moeten snappen hoe het werkt, wat het oplevert en met wie ze afspraken maken.’
De vraag die over de middag hangt: kunnen talloze kleine initiatieven samen de druk op het net verlichten? Bulsink denkt dat het kan. ‘Energie raakt iedereen. Haar gesprekspartners gaven aan: ‘we zijn eigenlijk bezig met een buurtenergiestrategie en willen onze energie-opwek lokaal delen met de gemeenschap waar we onderdeel van zijn'. Het kan de aanleiding zijn voor een energiegemeenschap — stad, dorp en landelijk gebied bij elkaar. Boeren zijn bezig met ‘hoe blijf ik überhaupt bestaan’. De trend is nog steeds intensiveren, maar een aantal boeren willen dit niet. Zij willen extensiveren. Maar hoe krijgen zij meer regie op eigen bedrijf? Kunnen ze samen mest vergisten, energie leveren aan de bedrijven langs het Twentekanaal? De RES-aanpak heeft in dit gebied geleerd dat energiegemeenschappen belangrijker zijn dan de van hoger opgelegde doelen voor een nationale opgave.’

Impressie van een zonneveld en vernat veengebied voor moerasvogels. Beeld Bureau Vista 2021
Dalfsen: wanneer participatie het verschil maakt
Als er één casus laat zien hoe cruciaal eigenaarschap is, is het die van Thijs Mosterman, projectleider energietransitie in Dalfsen. Hij schetst twee generaties windmolens — één zonder lokaal eigendom, één van de gemeenschap zelf.
De eerste acht turbines werden via een provinciaal inpassingsplan gebouwd door een buitenlandse ontwikkelaar. Geen participatie, geen lokaal rendement. Mosterman: ‘De gemeenschap had er nul profijt van. Dat blijft hangen.’ De tweede generatie werd het tegenovergestelde:
– volledig eigendom van bewoners en ondernemers uit Nieuw-Leusden,
– 40 procent van de winst vloeit jaarlijks terug naar het gebied,
– 60 procent naar een dorpsfonds voor lokale projecten.
Resultaat: het enige windproject zonder bezwaarschriften in de regio.
Mosterman: ‘Eigenaarschap kantelt alles. Maar je legt ook grote verantwoordelijkheid bij bewoners. Daarom gaan we waarschijnlijk naar een joint venture met professionele ontwikkelaars. Belangrijk neveneffect van dit proces: we zitten nu elk kwartaal bij elkaar. Houdt ons op de hoogte. Neem ons mee. Defensie komt hier, dat snappen we. Neem ons mee en houdt de blik op dit plaatje. Participatie houdt niet op bij het afronden van een enkel project.’
Hij concludeert dat dit succes te danken is aan de bestuurlijke stabiliteit in het gebied. 'Daar moeten we eerlijk over zijn: zonder stabiel bestuur zijn weinig mensen bereid risico's te nemen'. En er dient zich een nieuwe maatschappelijke instabiliteit aan: de opbrengsten van het dorpsfonds wordt uitgekeerd aan lokale initiatieven, waarbij ze af en toe de volksvertegenwoordiging passeren. Er wordt gewoon de portemonnee getrokken als de gemeente het geld niet heeft voor kerstverlichting of nieuwe kaarten voor de bridgeclub. Mosterman: 'Dat is wel iets om zenuwachtig van te worden in een gemeente met meerdere kernen die niet allemaal een windproject hebben.'
Hoe verder? Overheden, gebiedscoöperaties en het financiële gat
In de slotronde gaat het gesprek vooral over geld — of eigenlijk: over wie risico’s kán en wíl dragen. Kleine gemeenten en energiecoöperaties kunnen vaak geen grote voorinvesteringen doen. Marktpartijen hebben expertise, maar brengen soms wantrouwen mee. Verder is de instabiliteit een grote bedreiging. Het kolkt op het platteland. De gebondenheid aan zeven generaties terug en vooruit is er niet. Dat gebrek aan perspectief zorgt voor onrust en onvrede. Het leidt op z’n best tot het besluit van de agrariër of het collectief om het zelf te doen. ‘Ik wil regie op eigen energie. Ik financier die molen wel.’ Of: de molen wordt gekoppeld aan een laadplein, dat collectief wordt beheerd. Dan kan het hard gaan. Maar de onzekerheid kan ook leiden tot verzet of apathie.
Gerrie Fenten (NP RES) blijft wel optimistisch: ‘De echte dynamiek ontstaat zodra het gesprek wordt gevoerd. Maar je moet het steeds opnieuw beginnen.’
Martine Verweij (Topsector Energie) sluit af met een reality check: de CO?-uitstoot stijgt weer, terwijl we wereldwijd spullen heen en weer slepen tegen enorme energetische kosten. 'Als we gaan verdienen op energie, laten we dat dan niet besteden aan meer onnodige spullen en vakanties. Houd voor ogen waarom we dit proces zijn ingestapt, voor een werkelijk duurzame toekomst'.
Conclusie: een andere manier van kijken
De middag in Zwolle laat vooral zien dat het anders kan — en al gebeurt. De sleutelwoorden zijn steeds dezelfde: ruimte geven, eigenaarschap, combinatiekracht, lange termijn, gebiedslogica.
Energie blijkt niet alleen een technisch opgave. Het is onderdeel van een gebiedsgerichte logica die gericht is op de toekomst voor nieuwe generaties in het landelijk gebied. Ruimtelijk, sociaal, ecologisch, economisch en cultureel tegelijk. En wie dat durft te accepteren, ziet oplossingen die eerder onzichtbaar bleven.

