Er is een tijd van komen en een tijd van gaan. Deze aan P.A. de Genestet toegeschreven uitdrukking – sommigen verwijzen zelfs naar de Bijbel – schiet me te binnen als ik begin aan dit commentaar: het laatste als hoofdredacteur van ROm. Na 24 jaar vind ik het tijd om het stokje over te dragen, maar niet zonder nog even achterom én een beetje vooruit te kijken.
Het moet begin 2001 zijn geweest dat ik werd gevraagd om het gerestylede ROm te gaan leiden. Het vaktijdschrift werd toen uitgegeven door Reed Business Publications. De hoofdredacteur die ruim twintig jaar daarvoor met het vakmagazine voor ruimtelijke ordening en milieu vergroeid was geraakt – Henk Bakker – kon die nieuwe start vanwege een ongeneeslijke ziekte niet meer meemaken.
Ik kreeg als opdracht mee om met een frisse blik de ontwikkelingen in het vakgebied te volgen. Ontwikkelingen waren er genoeg. De uitrol van wat de Vierde nota over de ruimtelijke ordening (1988) en de actualisatie daarvan in 1990 (de VINEX) beschreven, was in volle gang. Een groot deel van Nederland onderging een metamorfose. Mainports Schiphol en Rotterdam groeiden uit tot economische draaischijven. Met nieuwe, snelle achterlandverbindingen – Betuwelijn en HSL – moest hun internationale concurrentiepositie worden versterkt.
De liberaliseringsgolf overspoelde ook de wereld van de ruimtelijke ordening. Economisch ging het voorspoedig; het geld klotste tegen de plinten. Dat was te merken aan de voortvarendheid waarmee nieuwe woonwijken in het kader van de VINEX uit de grond werden gestampt en verloederde stedelijke gebieden werden getransformeerd. De stad deed er weer toe. Alle grote ov-knooppunten – de intercitystations van grote en middelgrote steden – ondergingen in rap tempo een gedaanteverandering tot kantorenlocaties voor overheid, onderwijs en bedrijfsleven. Haven- en industriegebieden die hun functie verloren, werden aantrekkelijke nieuwe plekken om te wonen, werken en verblijven. Kop van Zuid in Rotterdam, het Oostelijk Havengebied in Amsterdam en Centre Céramique in Maastricht werden iconische illustraties van de nieuwe tijd.
What’s in a name?
Projectontwikkelaars en de zelfstandig geworden woningcorporaties hielden zich bezig met het nieuwe fenomeen van gebiedsontwikkeling. Die term – afkomstig uit de hoek van de ontwikkelaars – ging het vakdebat zo domineren dat ROm de ondertitel aanpaste. We waren altijd het “maandblad voor ruimtelijke ordening en milieu”, maar werden “maandblad voor ruimtelijke ontwikkeling”. Gebiedsontwikkeling hebben we nooit in de ondertitel opgenomen – dat was te veel markt. Wel kwam de nadruk te liggen op de ontwikkelingspraktijk, minder op ordening en milieu.
'Gebiedsontwikkeling' hebben we nooit in de ondertitel opgenomen – dat was te veel markt
Dat leidde tot opmerkingen van lezers uit de milieusfeer: ‘Waar is milieu bij jullie gebleven?’ Maar de wereld was optimistisch gestemd – ook na 9/11. Het ging vooral om hoe plannen tot uitvoering konden komen, en minder om belemmeringen. We schreven over de aanpak van grote ruimtelijke vraagstukken in steden en landelijk gebied. Ook toen al was er aandacht voor klimaat en bescherming tegen hoog water. Het programma Ruimte voor de Rivier liep al sinds de late jaren 90. Ontwikkelingsplanologie zou helpen bij de complexer wordende opgaven: ‘een nieuwe manier om sneller resultaat te boeken in gebieden waar verschillende belangen om voorrang strijden bij de ruimtelijke inrichting’. Het citaat komt van Hans van de Cammen, toen projectdirecteur ontwikkelingsplanologie bij het ministerie van VROM, in het voorwoord van een ROm-special over dit onderwerp uit september 2003.
Voor de jongere generatie: VROM was de voorloper van VRO.
Ontwikkelingsplanologie zou helpen bij de complexer wordende opgaven
Overigens bleef ‘milieu’ wel degelijk onze aandacht houden, want de kwaliteit van de leefomgeving deed ertoe. Sterker nog: overschrijding van Europese normen voor fijnstof en stikstofdioxide dreigde het land toen al op slot te zetten. Vanaf 2010 kwam ‘milieu’ daarom weer terug in de ondertitel: “ruimtelijke ontwikkeling en milieu magazine”.
Stad- en ruimtemakers
We zaten toen midden in de kredietcrisis. Grote gebiedsontwikkelingen lagen stil, kleine ontwikkelaars en bouwbedrijven vielen om, en tal van nieuwe initiatieven ontstonden. Kleinschalige en ‘organische gebiedsontwikkeling’ zette de toon, ‘van onderop’, vormgegeven door ‘stadmakers’ en ‘ruimtemakers’. Ik heb nooit goed begrepen wat dat precies voor mensen zijn, maar het waren toen in elk geval geen professionele ontwikkelaars.
Overal kwamen interessante particuliere initiatieven van de grond, vaak aangemoedigd door lokale bestuurders en ambtenaren die waren aangestoken door het enthousiasme en de creativiteit van de initiatiefnemers. Ik herinner me uit die tijd de ontwikkeling van het Havenkwartier in Deventer: een voormalig bedrijvengebied aan het water dat zich ontwikkelde tot een stoere woon-werklocatie met zelfbouwwoningen, creatieve bedrijfjes, horeca, kunst en cultuur.
De stad- en ruimtemakers bleven, maar nu ook binnen ontwikkelaars, corporaties, gemeenten en talloze organisatie-, advies- en ontwerpbureaus
Toen de crisis voorbij was en de grote ontwikkelaars terugkeerden, raakten veel kleinschalige initiatieven op de achtergrond. De stad- en ruimtemakers bleven, maar nu ook binnen ontwikkelaars, corporaties, gemeenten en talloze organisatie-, advies- en ontwerpbureaus. Zelfs sommige onderzoekers gingen zich zo noemen. Dat gebeurde vanuit het besef dat gebiedsontwikkeling alleen slaagt wanneer je echt betrokken bent bij het gebied, de omgeving serieus meeneemt in de planvorming en projecten samen met alle betrokken partijen – inmiddels ‘stakeholders’ – vormgeeft.
Integraliteit en kwaliteit
Hoe de spelers ook heten, veel grootschaligs kwam er niet meer van de grond. Oorzaken: ingewikkelde wetgeving, een bestuurlijke lappendeken, strenge milieunormen en hardnekkig wantrouwen tussen publieke en particuliere partijen. In een poging om de boel vlot te trekken, kwam de rijksoverheid met de Omgevingswet, die het juridische stelsel voor de fysieke leefomgeving eenvoudiger en beter moest maken. De afgelopen tien jaar hebben we in ROm uitvoerig over de invoering geschreven.
En we zitten er feitelijk nog steeds middenin. Met de Ontwerp-Nota Ruimte ligt er opnieuw een nationale visie op de ruimtelijke toekomst van het land, al moet de uitvoeringsparagraaf nog komen. De aanzet en vooral de integrale benadering zijn veelbelovend. Het risico is wel dat sectorale belangen opnieuw gaan domineren, gedreven door de urgentie om doorbraken te forceren op wonen, veiligheid, stikstof en energie.
Dat zou jammer zijn. Want zo doorbreken we nooit het oude denken en werken vanuit sectorale en zakelijke eigenbelangen. En precies dat is keihard nodig om de ruimtelijke opgaven – groot én klein – samenhangend aan te pakken, zodat ontwikkeling mogelijk blijft en tegelijk de kwaliteit van onze leefomgeving verbetert: het leitmotiv (en huidige ondertitel) van ons magazine. Daar blijf ik graag over schrijven in ROm – maar dan gewoon als redacteur.


