Recent onderzoek en scenario’s laten zien dat je met zeven stuwen langs de Maas (Borgharen, Roermond, Belfeld, Lith, Linne, Sambeek en Grave) een bescheiden, maar nuttige hoeveelheid duurzame elektriciteit kunt oogsten — ergens tussen een pessimistische 134 GWh en een optimistische 286 GWh per jaar, met een totaal geïnstalleerd vermogen van zo’n 90,5 MW. Dat is genoeg om duizenden huishoudens van stroom te voorzien, continu en voorspelbaar. In tijden waarin wind en zon soms humeurig zijn, is dat een knappe troef.
Laten we eerlijk zijn: 90,5 MW aan geïnstalleerd vermogen klinkt voor sommige energiehoofdrolspelers als een bijrol. De hamvraag is niet alleen ‘hoeveel’, maar ‘hoe betrouwbaar en complementair?’. Waterkracht op stuwen levert geen onvoorspelbare pieken zoals zonneparken in bewolking, en het gedraagt zich beter dan wind die soms besluit vrijaf te nemen. De scenario’s in de analyse tonen dat zelfs bij een conservatieve aanname een nettobijdrage geleverd kan worden die merkbaar is voor regionale netbalans en lokale duurzaamheidsdoelen.
We hebben geen excuus om deze bron onbenut te laten liggen
Waterkracht roept beelden op van kolossale dammen in verre landen, mega-stuwmeren en hele valleien onder water. De kleinschalige aanpak langs de Maas is anders: we praten over bestaande stuwen, slim gebruik van verval en debiet, en maatregelen die binnen landschappelijke en ecologische grenzen blijven.
Sterker nog, door te werken met toegestane capaciteiten — Lith 14 MW, Linne 11,5 MW — en realistische benuttingsfactoren, wordt zichtbaar dat waterkracht in Nederland niet dat ene wondermiddel is, maar wél een betrouwbare, voorspelbare bron die goed past naast wind en zon. Bovendien zijn veel benodigde ingrepen relatief kleinschalig en kunnen ze samengaan met rivierherstel, vispassages en natuurverbetering als we die slim ontwerpen. Win-win dus. Je hoeft er geen volledige energietransitie op te laten leunen, maar je laat wel onvermoede kansen onbenut als je er helemaal aan voorbijgaat.
Natuurlijk zijn er aandachtspunten. Ten eerste de ecologie. Stuwen zijn barrières voor vissen en sedimenttransport; vismigratie en morfologische impact vragen zorgvuldige mitigatie. Ten tweede: operationele beperkingen. Stuwen zijn primair bedoeld voor watermanagement — hoogwater, scheepvaart en natuurdoelen — niet voor maximale stroomproductie. Dat drukt de inzeturen en dus de jaaropbrengst. Ten derde: vergunningen en juridische context.
Maar dat is allemaal niet het echte probleem. Het echte probleem is de businesscase. Gaan de investeringen ooit renderen? Ja en nee. Het worden qua verdiencapaciteit geen windmolens. Maar het goede nieuws is: de overheid heeft geen financiële rendementsdoelstelling. En ze zijn van de overheid. Tegelijkertijd: het is de enige vorm van hernieuwbare energie die volstrekt stabiel is en kan bijdragen aan het balanceren van het net, ook in gebieden waar zon en wind moeilijker te realiseren zijn. Dus ja, het rendeert, in ieder geval energetisch gezien.
We hebben geen excuus om deze bron onbenut te laten liggen — mits we het verstandig doen. Met verstand van ecologie, beleid en techniek kan de Maas meer doen dan alleen mooi zijn en nathouden. Maak gebruik van de waterkracht.


