Caspar de Jonge, programmamanager DMI-ecosysteem

‘Digitalisering is geen magische oplossing voor politieke dynamiek’

openbare ruimte Data en digitalisering Omgevingswetgeving

Foto: Caspar de Jonge
Auteur Jan-Willem Wesselink

5 dagen geleden, Leestijd ca. 8 minuten


Wat is de impact van digitalisering op de inrichting van de ruimte? En kun je op 18 maart kiezen voor een digitale gemeente? Volgens Caspar de Jonge, programmamanager van het DMI-ecosysteem, ligt het wat genuanceerder. ‘Maar het goed inzetten van digitalisering kan leiden tot betere besluiten, minder verrassingen tijdens het proces en achteraf, minder faalkosten en meer kwaliteit.’

Foto: Caspar de Jonge
Caspar de Jonge is vanuit het Ministerie van IenW de programmamanager van het DMI-ecosysteem. DMI (Dutch Metropolitan Innovations) is een collectief van inmiddels 135 organisaties: ministeries, provincies, gemeenten en bedrijven. Het richt zich op de integrale verduurzaming van steden, met maximale inzet van digitale middelen. DMI is mede mogelijk gemaakt door het Nationaal Groeifonds.

‘We hebben te maken met een woningcrisis, een CO2-crisis, een stikstofcrisis en een energiecrisis. Die opgaven zijn zo complex, samenhangend en omvangrijk dat je ze zonder digitale middelen simpelweg niet goed kunt overzien. De complexiteit en ondoorzichtigheid maken alle partijen in het proces voorzichtig. Processen zijn daarbij ook verjuridiseerd, wat leidt tot aanzienlijke risico-opslagen. Dit is ook weer niet zo gek, want de faalkosten zijn enorm. Een paar jaar geleden is becijferd dat er in Nederland jaarlijks miljarden euro’s aan faalkosten wordt gemaakt; kosten die ontstaan door herstelwerk, uitloop van planningen, onvoorziene problemen, of het overschrijden van wettelijke grenzen. Dit is niet alleen een financieel probleem, maar ook een verlies aan tijd, kwaliteit en vertrouwen in het proces.’

‘Digitalisering is geen vervanging van een heldere visie?

Volgens Caspar de Jonge, programmamanager van het DMI-ecosysteem, kan slim gebruik van digitale middelen waarschijnlijk de helft van de faalkosten voorkomen. ‘Nu gebeurt het nog te vaak dat gemeenten, bouwers en andere stakeholders elk vanuit hun eigen informatie en beeld van de werkelijkheid werken. Dat leidt tot miscommunicatie, fouten en onnodige vertragingen. Met digitale tools laat je alle betrokkenen kijken naar dezelfde werkelijkheid. Je kunt bijvoorbeeld realtime doorrekenen wat de gevolgen zijn van bepaalde keuzes: wat betekent het voor de CO2-uitstoot, de kosten, de planning, de kwaliteit en de leefbaarheid? Dat voorkomt dat je halverwege het proces ontdekt dat je een cruciale factor vergat, zoals de staat van de ondergrond of de impact op de bereikbaarheid van scholen en zorginstellingen. Met betere en eenduidiger gegevens vanaf de start van het proces loopt iedereen minder risico, wat niet alleen geld scheelt, maar ook frustratie en vertraging. En het komt de kwaliteit van het eindresultaat ook op de lange termijn ten goede.’

‘Stel, je hebt een verkeersplan om meer actieve mobiliteit mogelijk te maken, maar ook een gebiedsontwikkeling waar 10.000 woningen zijn gepland. Traditioneel zou je eerst een verkeerskundige analyse laten maken, die beperkt is in scope en diepgang. De gemeenteraad vraagt zich dan terecht af: ‘Wat betekent dit verkeersplan op de langere termijn, als er zoveel woningen bijkomen?’ Met digitale tools kun je integrale analyses maken die rekening houden met alle factoren: verkeer, wateropvang, energie, voorzieningenbeleid en zelfs de sociale impact. Je kunt scenario’s doorrekenen en direct zien wat de consequenties zijn van bepaalde keuzes. Dat leidt tot betere besluiten, meer draagvlak en minder verrassingen achteraf.’

Leidt dat vervolgens ook tot een betere inrichting van de ruimte?

‘In een niet verder te noemen gemeente zouden sportvelden verplaatst worden voor woningbouw. Er was een wateropvang gepland om overstromingen te voorkomen. Maar na analyses op basis van alle data bleek dat de opvangcapaciteit 30 procent groter moest zijn en op de verkeerde plek gepland was. Die analyse is teruggegeven aan de programmadirectie en er is vervolgens een andere keuze gemaakt. Zonder digitale tools was dat niet ontdekt en hadden we jaren later geconstateerd dat het geld niet goed was besteed en het gebied niet goed was ingericht.’

Verandert digitalisering de machtsverhoudingen binnen gemeenten?

‘Ik blijf bij deze vraag een beetje haken op het woord ‘machtsverhoudingen’. Gaan die verschuiven door digitalisering? Ja, als je kijkt naar de macht van grote platformbedrijven vanuit het buitenland, is daar misschien wel iets voor te zeggen. Maar binnen een gemeente? Digitalisering is daar vooral een ondersteunend instrument. Het versnelt processen, bevordert co-creatie, verbetert de kwaliteit van besluitvorming en maakt informatie toegankelijker. Maar het verandert niet de fundamentele verhoudingen tussen raad, college, inwoners en andere stakeholders. Het is geen magische oplossing voor politieke of bestuurlijke dynamiek.’

‘Digitalisering lost niet alle problemen op en het is geen vervanging voor goed bestuur, bewonersparticipatie of een heldere visie. Het blijft ook mensenwerk: elkaar kennen, belangen begrijpen, informatie delen en eerlijk zijn over wat haalbaar is. Maar het is wel een onmisbaar instrument om de complexiteit van de huidige opgaven te managen, die niet alleen om geld vragen, maar vooral ook om slimme, integrale oplossingen. Digitalisering helpt ons om die oplossingen sneller, goedkoper en beter te realiseren. Het is geen keuze meer, het is een noodzaak.’

Moeten we als samenleving en als brede overheid dus meer samen optrekken om de kansen van digitalisering te benutten?

‘We hebben te maken met schaarste op tal van gebieden: grondstoffen, personeel en geld. We concurreren allemaal op dezelfde markt. Als zestig gebieden tegelijk worden herontwikkeld, moeten we slim omgaan met materialen en capaciteit. Dat lukt alleen als we gezamenlijk optrekken. Denk aan buurtbatterijen, biobased en fabrieksmatig bouwen en het hergebruik van materialen. Dat vergt coördinatie en afspraken, niet alleen lokaal, maar ook tussen gemeenten, provincies en het Rijk.’

‘Daarom hebben we het DMI-ecosysteem opgezet, waar nu al 135 partijen aan meedoen. Ik zie sowieso de bereidheid om samen te werken, toenemen. De VNG speelt daar een goede rol in. We moeten voorkomen dat elke gemeente apart een IT-organisatie opzet, blijft hangen in pilots en alles zelf doet. Dat is niet efficiënt. Laten we gezamenlijk optrekken, afspraken maken en gebruikmaken van elkaars kennis. Dat scheelt kosten, tijd en zorgen.’

‘Binnen DMI werken overheden overigens ook samen met private partijen en kennisinstellingen. We moeten het samen oplossen. En dat lukt ook. Een mooi voorbeeld daarvan vind ik MiniGIM, een standaard werkwijze voor de vroege fase van gebiedsontwikkeling, waarin gemeenten, ontwikkelaars en woningcorporaties samenwerken op basis van één digitale werkelijkheid. Dat is ontstaan op initiatief van de Neprom en haar leden.’

Wat verwacht je van de nieuwe gemeenteraden en colleges?

‘Ik hoop dat ze beseffen dat we dit met zijn allen moeten rooien. Dat vergt afspraken en coördinatie, zowel binnen een gemeente als tussen gemeenten onderling. Soms krijg je niet helemaal je zin, maar dan krijg je daar iets anders voor terug. De nuchterheid begint terug te komen: we kunnen niet eindeloos blijven uitstellen. We moeten zaken aanpakken, maar dan wel doordacht. Wat dat betreft ben ik echt blij met de Nota Ruimte. Dat vind ik een mijlpaal, omdat deze voor het eerst in lange tijd een langetermijnvisie biedt die in dit geval tot het jaar 2100 reikt. Hoe zorgen we voor een toekomstbestendig Nederland, met aandacht voor bodemkwaliteit, waterbeheer, de verdeling van functies in de ruimte en de effecten daarvan? Dat is een enorme stap vooruit, omdat we niet langer alleen naar de korte termijn kijken, maar echt nadenken over de gevolgen voor komende generaties.’ 

Is er voldoende aandacht voor digitalisering in de Nota Ruimte?

‘Dat vind ik wel. Er is binnen het ministerie van VRO in korte tijd een hele directie ontstaan die zich richt op ruimtelijke informatie. Die directie is direct gekoppeld aan de Nota Ruimte en het programma Zicht op Nederland. Het is niet alleen maar geodata, het gaat om het verzamelen, delen en gebruiken van hoogwaardige informatie om betere beslissingen te nemen. Dat is precies wat we nodig hebben: een sterke koppeling tussen ruimtelijk beleid en digitaal beleid. Digitalisering is niet langer een bijzaak, maar een integraal onderdeel van het ruimtelijk beleid. Daardoor heeft digitalisering nu echt een plek gekregen in het ruimtelijk beleid en dat is een enorme vooruitgang. Het is niet langer een kwestie van ‘moeten we digitaliseren?’, maar van ‘hoe doen we het op de beste manier, gegeven alle samenhangende opgaven?’ Dat is een fundamentele verschuiving en ik ben blij dat VRO daarin het voortouw neemt.’

Op 18 maart mogen we naar de stembus voor de gemeenteraadsverkiezingen. Wat is je stemadvies als je digitalisering in ruimtelijke ordening belangrijk vindt?

De Jonge: ‘Ik vind dat je moet kijken naar de voorstellen van partijen op het gebied van wonen, energie, leefbaarheid, groen en bereikbaarheid. De wooncrisis staat hoog op de agenda, maar het gaat om meer dan alleen wonen. Hoe ga je om met de energietransitie? Hoe zorg je voor een leefbare stad? Als stemmer moet je naar het geheel kijken. Digitale componenten op zichzelf zijn daarbij geen politiek issue meer, maar een noodzakelijke randvoorwaarde. Partijen die daaraan geen aandacht besteden, hebben veel moeite om de toekomstige uitdagingen aan te pakken.’

Dit artikel is gebaseerd op een interview met Caspar de Jonge, programmamanager van het DMI-ecosysteem, voor de podcast Ruimte Zat! Het hele gesprek kun je hier beluisteren:
 

Gerelateerde Artikelen