‘In de toekomstbestendige stad is digitalisering geen bijzaak, maar een voorwaarde’, zegt Arjan Spruijt stellig. Hij is projectmanager datagestuurde gebiedsontwikkeling bij het ministerie van IenW / DMI en werkt aan de integratie van digitalisering in gebiedsontwikkeling. ‘Je moet integraal samenwerken met elkaar. Dat kan alleen maar als je digitalisering inzet.’ Het gaat daarbij om digitale middelen die processen ondersteunen, inzicht bieden en besluitvorming verbeteren. Hij noemt voorbeelden als digital twins en scenario-ontwikkeling. ‘Je moet het zo inzetten dat het de mensen die in de gebiedsontwikkeling aan de knoppen zitten helpt om betere beslissingen te nemen.’
Hij werkt daarbij nauw samen met Michelle van Dijk, coördinerend beleidsmedewerker bij de directie Woningbouwbeleid van het ministerie van VRO en werkzaam aan het Innovatie- en Opschalingsprogramma Woningbouw. De grote kracht van digitalisering zit volgens Van Dijk en Spruijt in het omgaan met complexiteit. De woningbouwopgave komt immers niet alleen. ‘We worden allemaal ouder. Waar gaan we straks wonen? Hoe regelen we de zorg? Hoe regelen we mobiliteit?’ somt Van Dijk op. Al die vraagstukken komen samen in gebieden, en juist daar ligt de kracht van datagedreven werken. ‘Daar heb je data voor nodig om dat integraal behapbaar te maken.’
Keuze en uitvoering
Wat levert die data concreet op? Inzicht, allereerst. ‘Je moet weten waar het over gaat en hoe het in relatie tot elkaar staat. Als je een keuze maakt op een bepaald gebied, wat is dan het effect op de programmering voor woningbouw, voor mobiliteit?’ zegt Van Dijk. Het gaat niet alleen om keuzes, maar ook om de uitvoering. ‘We gaan ook met minder mensen het werk moeten doen. En daar is het ook van belang dat we slimmer gaan werken.’ Voor Spruijt is dat het kernprobleem: ‘De echte opgave is hoe we dat nou met elkaar gaan doen – publiek-privaat, tussen departementen, tussen programma’s. Zelfs met een perfecte digital twin gaat het nog steeds over hoe je die gebruikt in een proces met alle partijen die aan tafel moeten zitten. En dat is denk ik de echte opgave.’
De urgentie is hoog, maar de oplossingsrichting van Van Dijk en Spruijt is optimistisch. Van Dijk: ‘Iedereen doet alsof we tegenwoordig te veel willen, maar ik denk niet dat dat zo is. We moeten wel slim kiezen. En we moeten functies combineren. We moeten de ruimte slim benutten. En daar heb je met elkaar een andere mindset voor nodig.’ Spruijt vult aan: ‘Ik denk dat we optimistisch moeten zijn. Als we samenwerken en de potentie benutten van DMI maar ook de partners, dan kan er zoveel meer dan we nu denken dat er kan.’
De klassieke ruimtelijke ordening is niet meer houdbaar, stellen beiden. Het lineair denken, eerst een plan, dan participatie, dan besluitvorming, past niet meer bij de complexiteit van vandaag. ‘We kunnen nu parallel werken,’ zegt Van Dijk. Volgens haar leidt de traditionele volgordelijkheid tot vertraging: ‘Je krijgt op verschillende momenten inzichten toegevoegd, waardoor plannen vertragen en je weer moet heronderhandelen.’ Juist op dat punt biedt technologie een doorbraak.
Van Dijk: ‘Bijvoorbeeld door via een digital twin visueel te maken en met behulp van allerlei data, open data, rekenmodellen, dus ook scenario’s uit te rekenen of parametrisch te ontwerpen. Zo kan data echt helpen.’ Die aanpak maakt het vak ook aantrekkelijker, stelt ze: ‘Ik denk dat het veel leuker wordt. Je kan met meerdere disciplines aan hetzelfde werken. En jouw vraagstukken kunnen worden ondersteund door iemand die goed is in het visualiseren van de opgave.’
Nieuwe planoloog speelde met Sim City
En waar oudere planologen met Lego speelden, is de nieuwe generatie met SimCity opgegroeid. Spruijt: ‘Waar wij het nu over hebben is SimCity voor professionals.’ Hij verwijst naar toepassingen die al op internationale beurzen zijn getoond, zoals op de Smart City Expo in Barcelona. ‘Er stonden consortia van Nederlandse bedrijven en steden. En iedereen liet een stukje zien van hoe je kan kijken naar vervoersbewegingen, energieverbruik, woningbouwlocaties, rendement en financiële haalbaarheid. Zoveel perspectieven die al heel tastbaar maken hoe integraal we kunnen werken.’
Om dat te laten slagen, moet iedereen op tijd aan tafel. ‘Eigenlijk wil iedereen aan die voorkant zitten,’ zegt Van Dijk. ‘Dat kunnen we beter faciliteren, bijvoorbeeld door live in een digital twin te laten zien: wat is de keuze van het een en hoe pakt dat uit voor het ander?’ Toch is dat nog niet vanzelfsprekend, erkent Spruijt: ‘We hebben de neiging om het heel behapbaar te maken. Door te focussen op een bepaald gebied of thema. Maar ons credo is: juist als je vastzit, moet je complexiteit opzoeken.’
De verandering gaat verder dan processen. Spruijt noemt het een systeemvraag: ‘Het gaat over hoe departementen hun rol invullen, hoe steden werken, hoe de overheid als geheel samenwerkt. En hoe we dat publiek-privaat met elkaar doen.’ Van Dijk sluit aan: ‘Het gaat over terug naar de bedoeling. Het gaat ook echt over elkaar helpen het samen beter te doen. We hebben echt een belangrijke opgave met elkaar.’
Gezamenlijk referentiekader
De opgave maken de twee tastbaar met ‘Tom’ die symbool staat voor de projectleider in de praktijk. ‘Wij doen het voor Tom. Hij moet van een koersdocument naar stedenbouwkundige plannen. Uiteindelijk moet er woningbouw worden gerealiseerd,’ zegt Spruijt. ‘Er zijn gewoon opgaven die spelen waar keuzes moeten worden gemaakt.’ Van Dijk legt uit hoe ze die vertaalslag maken: ‘Wat zijn je vraagstukken? In welke fase zit je gebiedsontwikkeling? Waar moet je dan welke instrumenten, innovaties, digitalisering, data hebben om jouw vraagstuk te kunnen oplossen?’
Een van de oplossingen is een gezamenlijk referentiekader, gebaseerd op het besluitvormingsmodel van de gemeente Rotterdam. Van Dijk: ‘Dat hebben wij aangevuld met het perspectief van de organisatie – hoe organiseren we gebiedsontwikkeling, en met het perspectief van beleid, welke beleidsambities komen samen. Dat is onze basisplaat waarmee we elkaars taal gaan begrijpen.’ Van Dijk hoopt dat daarmee ook meer verband komt tussen praktijk en uitvoering. ‘Wij zijn nog wel eens geneigd om echt vanuit beleid te denken, zonder de vertaalslag naar praktijk,’ geeft ze toe. ‘Ik ben echt trots op hoe we dat nu aan het inrichten zijn.’ Spruijt: ‘Er zit een gat tussen Rijk en wijk. Er is heel veel, maar het is niet met elkaar verbonden.’
Waarom is dit juist nu zo urgent? Van Dijk is duidelijk: ‘Als we doorgaan op de weg zoals we dat nu doen, en halen we gewoon de doelstellingen niet. We halen de woningbouwdoelstellingen niet. De stikstofproblematiek niet. De klimaatdoelen niet. Het moet echt anders.’ Maar het kan ook echt anders, vindt Spruijt: ‘We hoeven niet te accepteren dat we blijven doen wat we deden. We moeten een gezond perspectief en optimisme omarmen. En erkennen: het kan echt beter.’ De toekomst vraagt om verbeeldingskracht, vindt hij. ‘Verbeeld die toekomst met elkaar en organiseer daarop je samenwerking. In plaats van blijven doen wat we deden – 9 tot 5 werken, laptop open, Excel aan.’
Dit artikel is gebaseerd op een interview met Michelle van Dijk en Arjan Spruijt, voor de podcast DMI Doet! Het hele gesprek kun je hier beluisteren:


