
Waarom moeten we in het stemhokje denken aan ruimtelijke economie?
‘Omdat werken niet genoeg ruimte krijgt in Nederland. De investeringsbereidheid van Nederlandse bedrijven daalt. Dat is wat Rijksadviseur Peter Wennink aangeeft in zijn rapport ‘De route naar toekomstige welvaart’. Bedrijven zijn voorzichtig en kijken: waar kunnen we onze investering het beste doen? Waar zij gebaat bij zijn is reinheid, rust en regelmaat. Alsof we onze kinderen opvoeden. Dat betekent dus een consistent beleid voor de komende 15, 20 jaar. Geen gedoe. We hebben de afgelopen 5, 6 jaar - ook nog vóór het kabinet Schoof - gewoon veel te veel gedoe gehad. Dan zie je dat bedrijven hun investeringen gaan uitstellen of verleggen naar buitenlandse vestigingen.’
In collegeonderhandelingen lijkt ruimte voor economie vaak ondergesneeuwd te raken door woningbouw.
‘We zien in de afgelopen jaren dat wonen altijd op nummer 1, op nummer 2 en op nummer 3 staat bij de gemeente. En dat is te begrijpen: iedereen wil een dak boven het hoofd. Ik wil ook niet dat mijn zoons na hun studie weer bij mij aankloppen om op de bovenverdieping te wonen. Gemeenteraden willen graag voor hun inwoners zorgen dat er betaalbare woningen komen. Dan moet je ruimte creëren en die ruimte vinden ze dan heel vaak op bedrijventerreinen die daarvoor, met miljarden euro’s van de Rijksoverheid, worden omgekat. Nogmaals, het is te begrijpen, maar ik vind dat waar mensen wonen, ze ook moeten kunnen werken. En dan heb je dus bedrijventerreinen nodig.’
Voelen lokale politici die urgentie niet?
‘Nee. Economie staat verder weg van hun belevingswereld en van de belevingswereld van de kiezer. Het is abstracter voor de inwoner die zegt: ik zoek een woning, ik wil graag winkelen, ik wil graag goed worden verzorgd.
Maar het gaat gewoon over banen. Over werkgelegenheid. We zien dat we na een tijd met enorme krapte de 4%-grens van frictiewerkeloosheid weer hebben bereikt. Bovendien hebben we veel verborgen werkloosheid in ons land. Iedere gemeente weet precies hoeveel mensen er staan ingeschreven als arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Dat is een hele grote groep. Om die werkloosheid op te lossen, hebben we ondernemers nodig die durven investeren. Dat ondernemers nu hun investering juist uitstellen, kost banen. Dan is het belang een lokaal economisch beleid.
Maar het gaat verder dan rust en ruimte voor ondernemers. Het gaat ook om de vraag wat je op welke plek wil doen. En dat je daarbij vooruitkijkt. Als we nu heel veel tijd en moeite en geld gaan investeren in allerlei automatiseringsoplossingen, mede mogelijk gemaakt door versneld AI toe te passen, dan zul je zien dat er ook een soort schifting gaat ontstaan op de arbeidsmarkt tussen degenen die dat nieuwe werken aankunnen en degenen die dat niet kunnen.
Sowieso mist er in Nederland een samenhangende ruimtelijk-economische visie. Ook in de Nota Ruimte wordt er maar matig aandacht aan besteed. Het is best gek dat geen ministerie, VRO of EZ, dit oppakt. Aan de andere kant kunnen we wel blijven stoeien over wat voor een soort economie we willen zijn, maar iedereen begrijpt dat wij een technologisch land moeten zijn. Daarin heeft Peter Wennink gewoon gelijk. Dat moet je als uitgangspunt nemen, ook als dat betekent dat dat voor een aantal andere functies consequenties heeft. Ik verwacht van de politiek dat ze richting bepalen en daarnaartoe werken.’
Is dat een opdracht voor gemeenten?
‘Het is een samenspel tussen Rijk, provincies en gemeenten en tussen gemeenten onderling in regionale verbanden. Om bij het Rijk te beginnen. Die mag wel steviger meedoen. Als je het advies van Rijksadviseur Wennink leest, is de tijd van zachte dwang voorbij. Ik vind dat we met z’n allen de genoemde urgentie nog veel duidelijker op het netvlies moeten krijgen en dat het Rijk daar een rol in moet spelen. Het helpt dan als een hogere overheid zegt: dit moet gebeuren. Want soms zie je dat gemeentes wel vinden dat ze iets moeten doen, maar als ze dat doen, lopen ze tegen hun eigen kiezers aan. Dan is het prettig als er een hogere macht is die zegt dat dit is wat we nu nodig hebben en dat een gemeente het Rijk de schuld kan geven richting de kiezer.
Maar ook met hulp van het Rijk lukt het gemeenten niet alleen. Samenwerken is noodzakelijk. Je kunt niet in iedere gemeente alle bedrijven accommoderen. Je hebt te maken met regionale afstemming. Als je alleen voor je eigen hachje gaat, krijg je een eenzijdige vorm van werkgelegenheid. En je hebt allerlei functies die je gewoon niet in elke gemeente kunt plaatsen. Je kunt bijvoorbeeld niet in iedere gemeente een puinbreker hebben. Dat is economisch niet rendabel. Dus dat betekent dat je dat op regionaal niveau moet doen. Die moet je dan ergens anders regelen. Dus je kunt beter samen kijken als gemeenten.’
Houden gemeenten van die samenwerking?
‘Samenwerken is niet altijd eenvoudig. Want hoe ga je je belangen inbrengen vanuit je lokale gemeente richting een regionaal samenwerkingsverband? Hoe help je de ander? Tegelijkertijd is er in heel veel regio’s schaarste aan bedrijventerreinen. Daar zie je dat gemeenten wel met elkaar om de tafel gaan zitten om te bepalen hoe ze dit oplossen. Dat doen ze gemakkelijker dan 10, 20, 30 jaar geleden.'
'Ze voelen de urgentie nu meer dan toen, ze begrijpen dat ze wel moeten samenwerken. We staan dus niet op nul. De regio Zwolle vind ik bijvoorbeeld een heel mooi voorbeeld, omdat die zelfs Meppel en een stuk van de Noordoostpolder tot haar werkingsgebied rekent en niet stopt bij de provinciegrenzen. Daar hebben gemeenten het initiatief genomen om samen te werken en zijn ze nu bezig om de provincies daarbij te betrekken. Dat is belangrijk, want een provincie heeft een belangrijke rol om die regio’s onderling met elkaar te schakelen. Het helpt natuurlijk ook als provincies investeren, niet eens veel, het kan ook heel vaak gaan om procesgeld zodat het gesprek tussen alle partijen wordt gefaciliteerd, waardoor die partijen met een goede agenda en een goed ritme hun eigen oplossingen kunnen formuleren.’
Wat is jouw stemadvies aan de lezer van ROmagazine?
‘Ik geef geen stemadvies voor een partij. Ik heb met heel veel gemeentes mogen samenwerken, ook met heel veel provincies. En of je het nou leuk vindt of niet, het is de vrouw of man die het verschil maakt. Niet de partij. Dus het is die ene wethouder van PvdA-GroenLinks, die wethouder van de VVD, of juist die wethouder van lokaal belang die het verschil maakt. Die zorgt ervoor dat hij of zij in de wedstrijd zit om de belangen van de lokale economie goed te regelen. Het is daarbij echt bepalend dat degene die aan de tafel zit bestuurlijk stappen durft te zetten. Moeite durft te tonen, om soms ook over de eigen belangen van de gemeente heen te springen. Om te kijken hoe we er samen met de andere gemeenten goed uit kunnen komen. Als je gaat stemmen, let daar dan op.’
Dit artikel is gebaseerd op een interview met Theo Föllings, directeur Programma's bij OostNL, voor de podcast Ruimte Zat! Het hele gesprek kun je hier beluisteren:


