
Volgens ENTSO-E, de vereniging van Europese netbeheerders, moet de interconnectiecapaciteit van het Europese hoogspanningsnet tussen 2030 en 2050 meer dan verdubbelen om windenergie uit Noordwest-Europa en zonne-energie uit Zuid-Europa efficiënt te transporteren. Zonder uitbreiding dreigt het net een rem te vormen op de verdere elektrificatie van industrie, mobiliteit en gebouwde omgeving.
Hoe groter het netwerk, hoe sterker de productiecapaciteit zich concentreert in regio’s met de beste natuurlijke condities
Het CPB analyseert twee scenario’s voor 2050: een ‘klein’ netwerkscenario met beperkte uitbreiding tot het niveau van 2030 en een ‘groot’ netwerkscenario waarin de grensoverschrijdende capaciteit tweeënhalf keer zo groot is. Met het COMPETES-model van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) wordt berekend waar in Europa de productie en opslag van elektriciteit tegen de laagste systeemkosten plaatsvinden. De uitkomst is helder: hoe groter het netwerk, hoe sterker productiecapaciteit zich concentreert in regio’s met de beste natuurlijke condities.

Uitgestrekte velden met zonnepanelen in Zuid-Spanje. Foto: Alvaro Moreno Perez/iStock.com
Productieverschuiving
In het grote netwerkscenario verschuift hernieuwbare productie nadrukkelijk naar de Atlantische kust. Noorwegen bouwt zeven keer zoveel wind op zee als in het beperkte scenario. Spanje verdubbelt de hoeveelheid zonnepanelen en bijbehorende opslagcapaciteit. Ook het Verenigd Koninkrijk vergroot zijn offshore-capaciteit aanzienlijk.
Productie wordt efficiënter georganiseerd op Europees niveau, maar ruimtelijk ongelijk verdeeld
Daartegenover neemt kernenergie in vrijwel alle landen af. Productie wordt efficiënter georganiseerd op Europees niveau, maar ruimtelijk ongelijk verdeeld. Voor Nederland betekent dit een wezenlijk verschil in ruimtelijke opgave. Zonder verdere netuitbreiding moet de verdrievoudigde elektriciteitsvraag in 2050 grotendeels binnen de eigen grenzen worden opgevangen. Dat komt neer op gemiddeld vier grote elektriciteitscentrales per provincie – of het equivalent in wind op zee – aangevuld met een zonne-oppervlak ter grootte van de provincie Utrecht.
Met een uitgebreid Europees netwerk kan Nederland een deel van die opgave uitbesteden via import. Het aantal benodigde centrales daalt gemiddeld met één per provincie en het ruimtebeslag voor zonnepanelen vermindert met ongeveer een derde.
Prijseffecten
De prijseffecten zijn asymmetrisch. In Nederland daalt de gemiddelde elektriciteitsprijs in 2050 met ongeveer 1,2 procent in het grote netwerkscenario. Noorwegen daarentegen ziet de prijs met 19 procent stijgen. De verklaring is markteconomisch. Wanneer Noorwegen sterker wordt verbonden met landen waar elektriciteit schaarser en duurder is, stijgt de exportvraag. Europese afnemers zijn bereid meer te betalen voor Noorse waterkracht en windenergie dan Noorse huishoudens. De prijs op de binnenlandse markt stijgt daardoor mee.
Voor Nederland is de prijsdaling beperkt, maar structureel. De belangrijkste winst zit in lagere investeringskosten voor binnenlandse productiecapaciteit en minder ruimtelijke druk.
De grootste winst voor Nederland: lagere investeringskosten voor binnenlandse productiecapaciteit en minder ruimtelijke druk
Afhankelijkheid
De ruimtelijke winst gaat gepaard met een strategische verschuiving. Nederland wordt in het grote netwerkscenario afhankelijker van import, met name uit Noorwegen. Minder binnenlandse productie betekent minder controle over de eigen elektriciteitsvoorziening. De maatschappelijke baten en lasten worden daarmee Europees verdeeld, maar niet gelijk. Noorwegen draagt meer ruimtelijke druk en hogere consumentenprijzen, terwijl Nederland profiteert van lagere systeemkosten en minder ruimtebeslag.
Deze asymmetrie verklaart waarom netuitbreiding politiek gevoelig ligt. Noorwegen zag eerder af van het NorthConnect-project met Schotland vanwege zorgen over prijsstijgingen voor eigen consumenten.

Windmolens in Yorkshire, Verenigd Koninkrijk. Foto: Pavel Babic/iStock.com
Europese randvoorwaarde
Het onderzoek benadrukt dat uitbreiding van het Europese hoogspanningsnet niet alleen een technische of economische kwestie is, maar ook een bestuurlijke en ruimtelijke. De vraag wie betaalt voor grensoverschrijdende infrastructuur is niet eenduidig beantwoord. Betalen landen naar rato van hun voordeel, financieren zij alleen het netwerk op eigen grondgebied, of wordt het Europees gedeeld? Bovendien zijn baten als leveringszekerheid en verminderde afhankelijkheid van fossiele brandstoffen lastig te kwantificeren. Netuitbreiding raakt daarmee aan bredere geopolitieke en economische afwegingen.
De ruimtelijke consequenties van Europese efficiëntie landen uiteindelijk altijd ergens concreet in het landschap
Voor Nederland komt de keuze scherp in beeld. Meer inzet op import verlicht de binnenlandse ruimtelijke opgave, maar vergroot de afhankelijkheid van andere landen. Meer binnenlandse opwek vergroot de ruimtelijke druk en potentiële maatschappelijke weerstand, maar biedt meer controle over de energievoorziening.
De uitbreiding van het Europese hoogspanningsnet maakt duidelijk dat energiebeleid niet langer nationaal kan worden bezien. De ruimtelijke consequenties van Europese efficiëntie landen uiteindelijk altijd ergens concreet in het landschap. Europese samenwerking is daarmee geen idealistische toevoeging, maar een noodzakelijke randvoorwaarde voor een houdbaar Nederlands energiebeleid.
Bronnen ENTSO-E (2025). Opportunities for a more efficient European power system by 2050 – Infrastructure Gaps Report. Ten-Year Network Development Plan (TYNDP) 2024. Version for ACER, European Commission and EU Member States Opinion, 9 April 2025.

...
