
Hoe wordt in verschillende delen van het land omgegaan met het gezamenlijk optrekken van platteland en stad in de grote opgaves die Nederland staan te wachten? Dat is het thema van de serie ‘Tussen stad en platteland’ die Vakblad Groen de komende maanden brengt. In deze serie proberen zij per regio daar antwoord op te vinden. Ook komt aan bod wat gevraagd wordt ten aanzien van de samenhang en samenwerking tussen stad en land. In deze aflevering: Sneek.
In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw begonnen mensen in verschillende Europese steden na te denken over stadrandrelaties. Het doel daarvan was ongeplande chaotische uitbreidingen te voorkomen en daardoor de kwaliteit van leven van de inwoners te behouden of vergroten. Een van de opties daarbij was het aanleggen van groene wiggen. Beroemde voorbeelden hiervan zijn Kopenhagen en Amsterdam. In Kopenhagen wordt als sinds 1928 nagedacht over de structuur van de stad en in 1948 werd het eerste “vingerplan” vastgelegd. Nu kent Kopenhagen vier zones: de palm van de hand is hoogstedelijk, de vingers, waar stedelijke ontwikkeling mag plaatsvinden (veelal rondom treinstations), de groene lobben tussen de vingers waar zeer restrictief stedelijk beleid plaats vindt en de rest van de Kopenhaagse regio waar alleen lokale ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Ondanks de vele uitdagingen zoals sterke bevolkingsgroei, houdt dit concept al 80 jaar stand.
Rond dezelfde tijd begon in Amsterdam een groep Van Eesteren na te denken over de uitbreiding van Amsterdam. Van Eesterens droom was dat iedere Amsterdammer binnen 10 minuten in het groen zou kunnen staan. Dit idee is leidend geweest in de stadsontwikkeling: in Groot-Amsterdam zijn nu acht wiggen te onderscheiden, zoals de Amstelscheg en de Waterlandscheg. Opvallend is dat wiggen vaak rond wateren ontstaan, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam en ook in Sneek het geval is. Een enkele keer fungeert een groot park aan de rand van de stad als wig, zoals het Sonsbeekpark in Arnhem (zie kader).

Een plek waar koude valwinden uit het Sonsbeekpark in Arnhem (achtergrond) richting de stad kunnen waaien
Verkoelende valwinden uit het Sonsbeekpark
Arnhem ligt tussen de Rijn en De Veluwe, het kan dus aan twee kanten gebruikmaken van koeling door wiggen. Hierin nemen de parken zoals het Sonsbeekpark een bijzonder plek in. De parken liggen op de helling van de stuwwal en vormen groene wiggen richting de stad. Op de Veluwe koelt het ’s nachts flink af en de relatief zware lucht die dan ontstaat, stroomt vervolgens de heuvel af via de parken en de binnenstad in. Om deze verkoelende valwinden (ook wel katabatische winden genoemd) uit het Sonsbeekpark de hete binnenstad te laten bereiken, is Arnhem van plan om blokkades hiervoor op te gaan heffen.
Wiggenstad
Sneek heeft net als zoveel steden toenemend last van hitte, wateroverlast en verlies van biodiversiteit. Sandra van Assen, strategisch adviseur ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Súdwest-Fryslân – waar Sneek een onderdeel van is – vindt dat niet verwonderlijk omdat zoals zij het noemt, de stad zeer autocentrisch is. ‘Sneek is bekend om zijn water, maar langs dat mooie water staan rijen met auto’s.’ Het water is weggestopt en ingekaderd, maar dat is lang niet altijd zo geweest. Sneek was van oudsher een handelsstad waarbij veel vracht over het water vervoerd werd. Toen de stad in de loop van de twintigste eeuw uitgebreid moest worden, werd in 1925 het tuinstedenconcept gebruikt. Dat zorgde ervoor dat veel groen toegevoegd werd aan de stad. Het Wilhelminapark, nu een groen rijksmonument, is in die tijd ontstaan. Na de Tweede Wereldoorlog verschoof de aandacht naar wonen, werken en infrastructuur. Er werd heel veel gebouwd, waarbij het bestaande groen in stand bleef, maar er geen nieuw groen bij kwam.
Sneek groeide compact uit. Pas in 2021 kwam er beleidsmatig aandacht voor de wiggen in de stad. Die waren er wel, want er liepen vele wateren de stad in en uit, maar die waren ernstig verwaarloosd. Het veranderende klimaat dwong tot een heroverweging. De wiggen werden in de omgevingsvisie gebombardeerd tot “klimaatadaptieve contramal van de stad”. Dat groen stond dan weliswaar op een kaart, maar was volgens Van Assen lang niet altijd herkenbaar: ‘Het ligt aan de achterkanten van de stad, soms is het versteend of privéterrein, lang niet alles is bereikbaar.’
Het model waar Sneek nu mee werkt, bestaat uit zeven wiggen en verbindingen daartussen. Veel van deze structuren lopen langs grachten en andere wateren, maar het Wilhelminapark is er ook onderdeel van. De grote klus is nu om die structuren te versterken en herkenbaar te maken. De gemeente heeft daarvoor een aantal regels voor stadsontwikkeling gesteld. Een heel mooie regel is dat iedere nieuwe grijze ontwikkeling moet leiden tot 25 procent minder verharding in een wig. ‘Dat was erg wennen voor ambtenaren en projectontwikkelaars’, zegt Van Assen. ‘Plotseling moesten auto’s geparkeerd worden in parkeergarages of in de kelders onder de huizen. Maar het leuke was, dat doordat we zo helder waren in onze doelen, er al tijdens de ontwikkeling van de visie zaken gingen verschuiven: ambtenaren gingen al rekening houden met het nog vast te stellen beleid.’
Effecten van wiggen
Mooi dat Sneek zo voortvarend aan de slag is met het ontwikkelen van groene wiggen. Maar wat levert dat nu concreet op? Dat wordt onderzocht in het project “Groenblauwe stad” waarin gekeken wordt naar de effecten op klimaat, biodiversiteit en beleving. Een van de onderzoekers is Jesse Wagenaar van Hogeschool Van Hall Larenstein. Hij heeft vooral gekeken naar het vóórkomen van insectensoorten en de insectenbiomassa op verschillende plekken in en rond de wiggen. Insecten zijn op zichzelf al onderdeel van de biodiversiteit, maar ze zijn ook belangrijk als voedsel voor andere dieren. Daarom is de insectenbiomassa ook interessant omdat die iets zegt over de hoeveelheid voedsel die er is voor bijvoorbeeld vogels. Duidelijk is dat op stenige plekken minder insecten voorkomen (in aantallen en aantallen soorten) dan op groen-blauwe plekken. Verassend is dat het aantal soorten op groen-blauwe en grijze plekken, dus met bebouwing, nog hoger is (zie ook, waar op bedrijventerreinen dezelfde resultaten gevonden werden). Wagenaar verklaart dit door de nog grotere diversiteit wanneer ook stedelijke onderdelen aanwezig zijn. Daar groeien waarschijnlijk weer andere planten en zijn andere plekken voor soorten om zich te verschuilen of te broeden. Een wig heeft heel veel van dit soort plekken, omdat groen – en vaak ook blauw – en grijs daar altijd dicht bij elkaar zijn.
Er zijn ook temperatuurmetingen gedaan waaruit blijkt dat op de heetste momenten van de dag de wig ervoor zorgt dat de temperatuur in en om de wig zo’n 3 tot 4 graden lager is dan in de stenige omgeving. De hitte in de stad, ook wel hitte-eilandeffect genoemd, kan hiermee dus gedeeltelijk weggenomen worden. Doordat wiggen door hun vorm op vrij veel plekken in de stad aanwezig zijn, is dit effect op de gehele stad ook aanzienlijk. Een interessante observatie die Wagenaar daarbij deed is dat de stad met deze maatregelen soms juist eerder een koelte-eiland is: de stad is dan koeler dan het omliggende land.

Visie op de groen-blauwe wiggen in Sneek
Joey Koning, onderzoeker vanuit Hanze Hogeschool, voegt daaraan toe dat de voordelen van de wiggen ook zitten in het verlagen van het fijnstofgehalte in de stad. De open structuur, veelal met water, zorgt ervoor dat de wind gemakkelijker de stad in komt en zo fijnstof deels kan wegblazen. Daarnaast geeft hij aan dat zijn onderzoek uitwijst dat de bewoners de wiggen zeer waarderen als plekken om te recreëren. Het voordeel van de wiggen is dat ze op verschillende plekken door de hele stad lopen en dat ze dus altijd dichtbij zijn. ‘Mensen gebruiken ze om even aan de stad te ontsnappen. Daarbij waarderen ze ook de relatieve grootschaligheid van de groenstructuren’, aldus Koning. Daarnaast worden de wiggen ook veel gebruikt door fietsers en wandelaars (en dieren!) om vanuit de stad naar het platteland te trekken, of van de ene plek in de stad naar de andere te komen. Het zijn aantrekkelijke en snelle routes, anders dan door de autorijke stad.
Beleid en regels
Sneek laat zien dat in de groene wiggen zelf de biodiversiteit hoger is dan in de stad (en waarschijnlijk ook hoger dan in de ommelanden), de temperaturen lager zijn in tijden van hitte, dat mensen er graag recreëren en de wiggen gebruiken als plekken om de stad op de fiets te verlaten. Deze positieve effecten stralen deels uit naar de omliggende wijken. Verder onderzoek is nodig om bijvoorbeeld te weten te komen hoe de wiggen het beste ingericht kunnen worden zodat koelte zich zo goed mogelijk verspreidt in de stad en hoe de wiggen kunnen bijdragen aan de biodiversiteit van het platteland.
Minstens zo interessant aan Sneek is dat het deze stad gelukt is beleid te ontwikkelen dat daadwerkelijk zorgt voor het verbeteren van de groene wiggen. De klimaatcrisis heeft zodanige urgentie gebracht dat groen nu uitgebreid en verbonden wordt. Sandra van Assen geeft daarbij aan dat een stadsbestuur regels moet hanteren, maar zich niet restrictief moet opstellen. Er moet creatief meegedacht worden met de behoeften die er leven. Veelal zijn er dan oplossingen mogelijk, vaak zijn dat multifunctionele oplossingen. Daarvoor is het nodig dat de stad in contact staat met belangengroepen van ondernemers en inwoners, en maatschappelijke organisaties, zodat deze aan elkaar gekoppeld kunnen worden en de investering van de een van meerwaarde is voor de ander. De integrale oplossingen die zo ontstaan zijn in Sneek bijvoorbeeld zichtbaar in de gezamenlijke bouwplannen van een woningbouwcorporatie en een school, waardoor groene ruimte uitgespaard kan worden.



