Oude zaken, nieuwe kansen

Gebiedsontwikkeling Omgevingswetgeving Beleidsnota’s
Auteur Marcel Bayer

02 april 2026 om 09:00, Leestijd ca. 5 minuten

Een nieuw kabinet, een nieuwe minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening – en dezelfde hardnekkige ruimtelijke dossiers. De vraag is of Den Haag deze keer verder komt dan goede intenties.

We hebben weer een écht kabinet en een minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Elanor Boekholt-O’Sullivan is geen onbekende op het terrein van de ruimtelijke ordening. Als luitenant-generaal gaf zij leiding aan het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, waarin de ruimtelijke behoeften van de krijgsmacht in beeld zijn gebracht. De plannen worden nu uitgerold.


Lichtend voorbeeld

Met militaire precisie en doortastendheid stampte zij met enkele collega’s op het ministerie van Defensie in een mum van tijd een ruimtelijke afdeling uit de grond. In een tempo waar menig bestuurder en ambtenaar van zal duizelen brachten ze de ruimtelijke opties in kaart en trokken het land in om met betrokkenen de mogelijkheden te bespreken. Ook de samenleving werd er meteen bij betrokken.
Als dat geen lichtend voorbeeld is van de daad bij het woord voegen en als Rijksoverheid de regie pakken, wat dan wel?


Veelbelovend is het zeker: tegelijkertijd doortastend én zorgvuldig zijn. Het is de sleutel tot een succesvolle aanpak van alle grote ruimtelijke dossiers die er op het bordje van de nieuwe minister liggen. Woningnood, stikstof, netcongestie, water en bodem, infrastructuur, ruimtelijke kwaliteit: de problemen zijn bekend, talrijke analyses gemaakt, adviesrapporten geschreven. Waar een voortvarende aanpak voortdurend op strandt zijn belangentegenstellingen, stroperige procedures en de wil om door te pakken.


Investeringen gevraagd...

In het hoofdstuk Fysieke Leefomgeving van het Coalitieakkoord, dat kabinet-Jetten ons presenteerde, staan geen verrassingen. De woningbouwopgave blijft met 100.000 woningen per jaar het politieke ankerpunt. Minder procedures, meer standaardisatie en stevigere rijksregie moeten de productie versnellen.


Maar versnelling is geen technisch vraagstuk alleen. Zolang onrendabele toppen niet structureel worden gedekt, infrastructuur achterblijft en netcapaciteit ontbreekt, blijft de productie kwetsbaar. Oude reflexen – dereguleren, decentraliseren, incidenteel bijplussen – hebben de afgelopen jaren niet geleid tot structurele doorbraken. Als dit kabinet echt tempo wil maken, moet het investeren in grondbeleid, corporaties en energieinfrastructuur, en keuzes durven maken in waar wél en waar níet wordt gebouwd. Dat kan alleen in eendrachtige samenwerking met decentrale overheden – gemeenten voorop – en met forse rijksinvesteringen.


... en de nodige sensitiviteit

Hetzelfde geldt voor stikstof en natuurherstel, waar inmiddels de waterkwaliteit als urgent dossier is bijgekomen. De juridische werkelijkheid laat weinig ruimte voor uitstel. Zonder geloofwaardige reductie van emissies en verbetering van de natuurkwaliteit blijft Nederland in het slot, met directe gevolgen voor de woningbouw, de infrastructuur en de economie.


Tegelijkertijd is het landelijk gebied geen rekbaar beleidsinstrument. Boeren vragen terecht om perspectief, net zoals natuurorganisaties aandringen op naleving van Europese verplichtingen. Hier ligt een klassieke ruimtelijke opgave: duidelijke zonering, gebiedsgerichte keuzes en consistent beleid over meerdere kabinetsperioden. Halfslachtigheid verlengt alleen de onzekerheid.
Ook hier dus doortastend optreden gevraagd, maar wel met de nodige sensitiviteit.


Dit dossier ligt grotendeels op het bord van Jaimi van Essen, als minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur: een rijzende ster aan het politieke firmament en binnen D66 een van de talentvolste lokale bestuurders.
Hij zal al zijn talenten nodig hebben om een bondje te smeden van de cruciale belanghebbenden. Gelukkig hoeft de minister niet blanco te beginnen. Voordat het boerenburgerbeleid van de vorige minister Femke Wiersma de boel in het slot gooide, waren veel provincies en gemeenten al op weg met een gebiedsgerichte transitie van het landelijk gebied. Gewoon oppakken dus, zou ik zeggen.


RO geen optelsom

Daarmee komen we op een fundamenteler probleem: de uitvoeringskracht. Gemeenten kampen met capaciteitsgebrek, sectoraal gegroeid beleid en beperkte financiële ruimte. De Omgevingswet moet integraliteit brengen, maar werd zelf een dossier van uitstel en reparatie. Het risico bestaat dat het kabinet opnieuw vooral naar regels kijkt. Minder regels – het kan helpen, maar alleen als tegelijkertijd wordt gewerkt aan eenvoudiger, samenhangender en toekomstbestendiger beleidskaders.


De energietransitie laat bij uitstek zien dat fysieke leefruimte geen optelsom van sectoren is. Warmtenetten, netverzwaring en waterveiligheid zijn geen bijlagen bij woningbouw, maar harde randvoorwaarden. Wie ze niet integraal meeneemt, creëert nieuwe flessenhalzen. Water en bodem sturend maken vraagt meer dan een beleidszin; het vraagt om ruimtelijke keuzes die soms botsen met korte-termijnambities.


Politieke moed

Oude zaken keren terug in elk regeerakkoord, maar elke kabinetsperiode biedt ook de kans om patronen te doorbreken. Dat vraagt om meer dan tempo. Het vraagt om consistentie, investeringsbereidheid en de moed om ruimtelijke keuzes expliciet te maken. Het vraagt vooral vermogen om samenhang te organiseren – tussen woningbouw en natuur, tussen infrastructuur en energie, tussen nationale doelen en lokale democratie. In die samenhang schuilen de echte nieuwe kansen.

In dat licht wordt de Nota Ruimte, die dit kabinet dan eindelijk gaat uitbrengen, een lakmoesproef voor de ruimtelijke ambities van Den Haag. Nederland heeft weinig aan opnieuw een inventarisatie van opgaven of een stapel oplossingsvarianten waaruit iedereen zijn eigen conclusie kan trekken. Wat nodig is, is een duidelijke visie op de ruimtelijke toekomst van het land: waar verstedelijking plaatsvindt, waar water en natuur leidend zijn, hoe energie, landbouw en infrastructuur hun plek krijgen en welke rol steden en regio’s daarin spelen. Dat vraagt om fundamentele keuzes – en om een uitvoeringsparagraaf die glashelder maakt wie waarvoor verantwoordelijk is en met welke middelen. Als de Nota Ruimte opnieuw blijft steken in abstracties en compromistaal, wordt zij een zoveelste beleidsdocument. Maar als het kabinet de moed heeft om richting te kiezen, kan dit document eindelijk weer het ruimtelijke kompas worden dat Nederland al jaren ontbeert.
 

Zie ook eerder geschreven artikelen:
Gerelateerde Artikelen
Schrijf u in voor de nieuwsbrief Elke week het laatste nieuws over ruimtelijke ontwikkeling in uw inbox.
Link gekopieerd naar klembord