'Samenwerken aan vertrouwen vraagt meer dan goede wil'

Gebiedsontwikkeling

Spoorzone Tilburg

Spoorzone Tilburg. Foto: Pixelbizz / iStock.com
Auteur Joren Bassant

14 april 2026 om 21:03, Leestijd ca. 4 minuten


Binnenstedelijke gebiedstransformaties slagen vooral als publieke en private partijen langdurig samenwerken. Toch blijft vertrouwen in die samenwerking kwetsbaar. Onderzoekers van TU Delft en bestuurders als Bas van der Pol en Jop Fackeldey plaatsen dat vraagstuk nadrukkelijk op de agenda. ‘We komen nog te veel grenzen tegen.’

Spoorzone Tilburg

Spoorzone Tilburg. Foto: Pixelbizz / iStock.com

‘Dat vertrouwen moesten we elk jaar weer versterken en herbouwen’, zei Bas van der Pol, wethouder Stedelijke Ontwikkeling in Tilburg, over de samenwerking in de Spoorzone in zijn stad. Hij sprak tijdens de plenaire opening van het Jaarcongres Stedelijke Transformatie, georganiseerd door Platform31 en de provincie Noord-Brabant. 

‘Parkeernormen, grondprijzen, ontsluiting en mobiliteit...’. Jop Fackeldey, dagvoorzitter en voorzitter van het programma Stedelijke Transformatie, noemde onderwerpen waarin samenwerking regelmatig schuurt. Gemeenten en ontwikkelaars werken doorgaans aan dezelfde woningen, maar vanuit andere verantwoordelijkheden, tempo’s en financiële kaders.

'Er heerst nog vaak miscommunicatie en regelmatig hebben partijen stiekem wantrouwen richting elkaar', stelde Fackeldey tijdens het evenement in de LocHal (Spoorzone). Juist daarom, stelde hij, helpt het om het gesprek wel te voeren. ‘Alleen via publiek-private samenwerking gaat de woningbouwopgave slagen.’

Vertrouwen in lagen

Een essay van de TU Delft, dat tijdens de opening werd gepresenteerd, onderzoekt hoe dit soort vertrouwen in gebiedstransformaties werkt, waar het onder druk komt te staan en hoe partijen daarop kunnen sturen.

De schrijvers ordenen vertrouwen langs drie niveaus. Het speelt tussen personen, tussen organisaties en in het bredere systeem van regels, procedures en bestuurlijke verhoudingen. Een goede werkrelatie is daarmee niet automatisch voldoende om een gebiedsontwikkeling vlot te trekken.

In het essay worden twee binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen vergeleken. In beide projecten werkten gemeenten en marktpartijen intensief samen aan woningbouw en andere stedelijke functies. In de eerste casus was er vroeg aandacht voor partnerselectie, dialoog en een verankerd perspectief. De raad bleef betrokken bij grote keuzes en het mandaat van projectleiders was duidelijk.

In de andere casus was de werkrelatie tussen gemeente en ontwikkelaar ook goed, maar kwamen later vanuit de gemeenteraad extra wensen op tafel. Daardoor moesten eerdere afspraken opnieuw worden besproken en werd voor betrokken partijen minder duidelijk welke keuzes en werkruimte er nog overbleven.

Het gaat niet om geld of contracten, maar juist om het gezamenlijk inzetten van instrumenten.

Die vergelijking laat zien dat vertrouwen niet alleen zit in het projectteam. Het hangt ook samen met de vraag of afspraken bestuurlijk standhouden. Dat sluit aan bij de ervaring van Van der Pol in Tilburg. Over de Spoorzone zei hij dat samenwerking met provincie en Rijk essentieel was. ‘Het gaat niet om geld of contracten, maar juist om het gezamenlijk inzetten van instrumenten.'

Hij noemde de Spoorzone een gebied waar niet alleen wordt gebouwd, maar ook wordt getest met nieuwe manieren van samenwerken. In lastige tijden moet je volgens hem juist in relaties investeren. ‘Laatst zijn we met z’n allen op werkbezoek geweest bij een ander project.'

Organisatie bepaalt tempo

Een andere casus uit het essay vergelijkt twee gemeenten met een verschillende organisatiecultuur. In de eerste gemeente waren de lijnen tussen ambtelijke organisatie, college en raad kort. Projectleiders wisten welk mandaat zij hadden en konden naar buiten helder zijn over processtappen, bestuurlijke afwegingen en afhankelijkheden.

In de tweede gemeente lag de nadruk sterker op interne controle en risicomijding. Besluiten gingen via meer schakels en werden minder voorspelbaar. Daardoor werd informatie voorzichtiger gedeeld en kwamen mogelijke oplossingen later op tafel. Voor externe partijen werd de samenwerking daarmee minder inzichtelijk.

Vertrouwen ontstaat daarmee niet alleen aan de overlegtafel. Het moet ook binnen de gemeentelijke organisatie zijn geborgd. Als onduidelijk blijft wie waarover beslist, of als afspraken intern worden teruggedraaid, werkt dat direct door in de relatie met marktpartijen en andere overheden.

Marieke Mentink, bestuurder bij ontwikkelaarsvereniging Neprom, zei tijdens de opening: ‘Laten we stoppen met die discussie over wat publiek en privaat over elkaar zeggen.’ De kernvragen aan het begin van een samenwerking zijn volgens haar wat partijen willen bereiken, welk mandaat er is en hoe belangen en conflicten worden besproken.

Erwin Heurkens, universitair hoofddocent stedelijke ontwikkeling aan TU Delft en een van de drie schrijvers van het essay, sloot daarop aan. Volgens hem is conflict in gebiedsontwikkeling geen uitzondering, maar onderdeel van het proces.

‘Conflict is zo’n complex begrip’, zei hij. ‘Daar zijn ook geen kant-en-klare oplossingen voor.’ Het essay bevat onder meer een ‘waaier aan sturingsinterventies’ die per situatie anders kunnen uitpakken.

Regels en rechtvaardigheid

Dat vertrouwen ook op systeemniveau speelt, illustreren de schrijvers met het Didam-arrest, een bekende referentie in het gemeentelijke gronddomein. Die uitspraak staat in het essay voor de vraag hoe procedurele rechtvaardigheid doorwerkt in samenwerking tussen overheden en marktpartijen.

Na het Didam-arrest pasten gemeenten hun werkwijzen aan, ontwikkelden beleidskaders en formuleerden selectiecriteria voorafgaand aan verkoopbesluiten. Lopende trajecten werden opnieuw beoordeeld op transparantie en motivering.

De betekenis van die casus reikt verder dan grondverkoop alleen. Het voorbeeld laat zien hoe ervaringen uit één project kunnen leiden tot onzekerheid, wantrouwen en structurele aanpassingen in beleid, procedures en verwachtingen binnen de gehele sector.

Verderop in het essay komt een middelgrote gemeente aan bod die met beperkte middelen werkt aan een gemengd woon-werkgebied met ruim zeshonderd woningen aan de stadsrand. Daar koos de gemeente niet voor zware processturing, maar voor structurele communicatie, omgevingsmanagement en relatieopbouw.

Ondernemers, bewoners, ontwikkelaars, raad, provincie, ministeries en netbeheerder werden vroeg betrokken. Gevoeligheden kwamen eerder op tafel en binnen de kaders werd steeds gezocht naar schuifruimte. Die aanpak laat volgens de schrijvers van het essay zien dat vertrouwen ook in een kleinere organisatie bewust kan worden opgebouwd, mits de werkwijze bestuurlijk wordt gesteund.

Gerelateerde Artikelen
Schrijf u in voor de nieuwsbrief Elke week het laatste nieuws over ruimtelijke ontwikkeling in uw inbox.
Link gekopieerd naar klembord