De stille opmars van Europese stedennetwerken

Tussen poldermacht en de valkuil van wildgroei

Participatie Milieu Natuurontwikkeling

Moeraslopen in de Moerputten tijdens de Biodiversiteitsweek in 's-Hertogenbosch, onderdeel van het Europese programma BiodiverCity om betrokkenheid van bewoners bij de natuur te vergroten. Beeld Gemeente 's-Hertogenbosch
Auteur Marcel Bayer

08 mei 2026 om 09:00, Leestijd ca. 15 minuten


Sinds Nederland in 2016 de Urban Agenda for the EU aanjoeg, zijn steden van de zijlijn naar de Brusselse tekentafel verhuisd. In dit groeiende speelveld van partnerschappen en stedennetwerken ontstaat een unieke vorm van ‘Europees polderen’ die leerzame praktijklessen oplevert en deuren opent naar meer invloed op Europese regelgeving en financiering. Terwijl de betekenis van deze samenwerking groeit, waarschuwen betrokkenen voor de schaduwzijde van het succes: een onstuitbare wildgroei aan samenwerkingen die drukt op de capaciteit van steden.

Moeraslopen in de Moerputten tijdens de Biodiversiteitsweek in 's-Hertogenbosch, onderdeel van het Europese programma BiodiverCity om betrokkenheid van bewoners bij de natuur te vergroten. Beeld Gemeente 's-Hertogenbosch

 De Europese samenwerking tussen steden heeft een duidelijke impuls gekregen met de lancering van de Urban Agenda for the EU (UAEU), zeg maar de Europese Agenda Stad. Dat gebeurde tijdens het voorzitterschap van de EU nu tien jaar geleden. Aanleiding was de constatering dat steden en stedelijke vraagstukken in Europa steeds belangrijker worden, terwijl steden zelf maar beperkt betrokken zijn bij Europese beleidsvorming en -regelgeving. De sterke verstedelijking van Nederland en het inzicht dat sommige stedelijke uitdagingen alleen op EU-niveau kunnen worden aangepakt, speelden daarbij een belangrijke rol.

Nederland bracht zijn bestuurlijke traditie van overleg en samenwerking in: ‘Wij zijn gewend om te polderen. Die manier van multilevel governance – dus niet alleen de Commissie en lidstaten, maar ook steden, regio’s en stakeholders betrekken – wilden we ook in Europa introduceren, zegt Dutch Urban Envoy Karen van Dantzig.

De UAEU vormt sindsdien het belangrijkste kader voor deze samenwerking. De kern van de aanpak ligt in thematische partnerschappen waarin steden, lidstaten, Europese- en kennisinstellingen werken aan urgente stedelijke vraagstukken. Die partnerschappen richten zich op drie pijlers: ‘betere kennis’ (kennisdeling, kennisontwikkeling), ‘betere regelgeving’ en ‘betere financiering’.

‘Het blijft bij aanbevelingen, maar die hebben wel degelijk effect’, benadrukt Van Dantzig. Het effect op EU-regelgeving mag wat Nederland betreft nog wel wat sterker, geeft ze aan. ‘Daar werken we aan met versterking van de Betere Regelgeving-pijler van de UAEU en samenwerking met nieuwe Cities Agenda van de Europese Commissie.’

De waarde van de netwerken is volgens haar evident: deelnemers bouwen netwerken op, wisselen praktijkervaring uit en ontwikkelen gezamenlijk instrumenten en strategieën. In veel gevallen leidt deelname ook indirect tot concrete opbrengsten, bijvoorbeeld doordat steden gemakkelijker Europese consortia vormen en toegang krijgen de Europese Commissie en financiering. Van Dantzig: ‘Er is veel animo voor deelname vanuit de EU aan Urban Agenda- Partnerschappen. Voor het net gestarte Partnerschap Compact Cities meldden zich bijvoorbeeld bijna 100 kandidaten aan.’
 

Actiegerichte netwerken

Naast de partnerschappen van het UAEU zijn er meerdere stedelijke samenwerkingsverbanden, zoals Eurocities en URBACT, die meer actiegerichte zijn. Eurocities is een invloedrijk netwerk van grote en middelgrote Europese steden. ‘URBACT is een Europees programma dat zich richt op stedelijke ontwikkeling’, legt Van Dantzig uit. ‘Steden werken er samen in EU-brede netwerken, en ontwikkelen actieplannen voor uiteenlopende stedelijke uitdagingen.’

De laatste jaren is het aantal netwerken en (subsidie-) programma’s vanuit de EU sterk gegroeid. Van Dantzig spreekt zelfs van een zekere ‘wildgroei’: ‘Sommige steden weten gewoon niet meer waar ze wel of niet lid van moeten worden en wat het oplevert. Alles kost capaciteit.’ Tegelijkertijd benadrukt ze dat deze ontwikkeling ook een positieve kant heeft: ‘Het laat zien dat steden belangrijk zijn. Er is veel aandacht voor, en dat is op zichzelf winst.’

Binnen dit complexe speelveld vervult de Urban Envoy sinds 2016 een strategische en verbindende rol. Inmiddels is het mandaat verbreed. Van Dantzig: ‘De missie blijft hetzelfde: het versterken van de positie van steden in Europa. Maar er zijn pijlers bij gekomen, zoals interbestuurlijke samenwerking richting de EU en de inzet op grote transities. We proberen met nationale, regionale en lokale partijen één verhaal te maken gericht op de groene, digitale en blauwe transitie. Concrete voorbeelden zijn het vision paper over cohesiebeleid en de samenwerking op waterweerbaarheid. Zo trekken Nederlandse overheden gezamenlijk op richting Brussel.’

We proberen met nationale, regionale en lokale partijen één verhaal te maken

Amfibie excursie tijdens de Biodiversiteitsweek in ’s-Hertogenbosch. Beeld: Gemeente ’s-Hertogenbosch


Lerend netwerk over participatie

Een illustratief voorbeeld van de manier waarop Europese stedennetwerken functioneren, is het URBACT Agents of Co-Existence-netwerk, waarin negen steden en regio’s onder leiding van Genk samenwerken aan de vernieuwing van lokaal bestuur. Voor de gemeente Breda lag de motivatie om deel te nemen in de behoefte om participatie verder te verdiepen en inclusiever te maken. ‘We waren al bezig met participatiebeleid, maar je merkt dat je toch in je eigen systeem blijft denken,’ zegt Petra van der Elst, beleidsadviseur sociaal domein. ‘Dan helpt het enorm om te zien hoe andere steden het aanpakken – juist ook buiten de Nederlandse context.’

Die internationale vergelijking bleek confronterend en verrijkend tegelijk. Waar Nederland vaak wordt gezien als koploper in participatie, nuanceert de praktijk dat beeld. ‘Wij denken vaak dat we het goed doen, maar ik heb in steden als Aarhus en Genk echt voorbeelden gezien waarvan ik niet had gedacht dat het kon,’ aldus Van der Elst. Met name de manier waarop daar actief wordt gestuurd op inclusiviteit – bijvoorbeeld door gericht groepen te benaderen die normaal buiten beeld blijven – maakte indruk. ‘Bij ons blijft het vaak toch bij de usual suspects. In Aarhus werken ze bewuster aan een representatieve afspiegeling van de stad.’

’s-Hertogenbosch doet mee aan zo’n vijftien Europese programma’s. Binnen URBACT heeft de Brabantse hoofdstad het netwerkprogramma BiodiverCity onlangs afgerond en wordt nu gewerkt aan Theatre4all. De belangrijkste reden om aan dit netwerk deel te nemen, was het uitwisselen van kennis, vertelt Huibert Crijns, Europa coördinator bij de gemeente. ‘Het biodiversiteitsnetwerk ging over opgaven rond klimaatadaptatie, vergroening en sociale betrokkenheid. Versterken van natuur dichtbij bewoners staat voor ons centraal, maar de echte kern ligt in participatie: hoe krijg je inwoners, vrijwilligers en organisaties zó betrokken dat zij mede-eigenaar worden van beleid. Dat gebeurt niet in vergaderzalen, maar juist in de praktijk.’

Op dat vlak is er veel te leren van hoe ze dat in andere steden doen. De werkbezoeken bij elkaar zorgden echt voor eyeopeners en concrete ideeën voor de eigen aanpak, vertelt Crijns. ‘Onze jaarlijkse Week van de Biodiversiteit is geïnspireerd op andere Europese steden. Onderdeel daarvan is een zogeheten BioBlitz, waarbij inwoners in korte tijd massaal soorten tellen en registreren. Je mobiliseert mensen op een laagdrempelige manier. Voor veel burgers is het een hernieuwde ontdekking van de natuur dichtbij huis. De grootste winst is dat mensen daarna blijven kijken – en betrokken blijven.’


BatteREstore - met Tilburg naar een circulaire economie
In European Urban Initiative (EUI) BatteREstore krijgen batterijen – die in auto’s vaak al bij ongeveer 80 procent capaciteit worden afgeschreven – een tweede leven in toepassingen met lagere prestatie-eisen, zoals op bouwplaatsen of als buurtbatterij. ‘Die batterij kun je nog prima inzetten, bijvoorbeeld om pieken op een bouwplaats op te vangen of energie lokaal op te slaan,’ zegt Mark de Pooter, initiatiefnemer bij Gemeente Tilburg. Daarmee draagt het project bij aan circulariteit, vermindering van afval en het verlichten van druk op het elektriciteitsnet.
Voor Tilburg is deelname meer dan alleen kennis opdoen: de stad kiest nadrukkelijk voor een actieve rol in de ontwikkeling van oplossingen. De Pooter: ‘In plaats van alleen vergunningverlener te zijn, ga je zelf mee ontwikkelen en kun je beleid vormgeven op basis van wat je in de praktijk leert.’ Juist die experimenteerruimte maakt het partnerschap waardevol. Tegelijkertijd biedt de internationale samenwerking belangrijke inzichten. ‘Je leert van andere steden, maar kunt ook je eigen kennis inbrengen – het is echt kruisbestuiving,’ zegt hij.
Hoewel BatteREstore nog in een vroege fase zit, zijn er al zichtbare resultaten. Zo werkt Tilburg met aannemers aan zogeheten quickscans om bouwplaatsen slimmer en emissievrij in te richten. De Pooter: ‘Waar vroeger standaard een dieselgenerator werd overgedimensioneerd, kijken we nu veel preciezer naar wat echt nodig is’.


Katalysator voor verandering

‘Het is juist de bedoeling van deze Europese samenwerking om met de voeten in de klei te staan, zelf kennis opdoen en uitwisselen’, geeft Marieke Muilwijk, expert op het gebied van Europese programma’s, aan. Ze staat gemeenten bij, waaronder ’s-Hertogenbosch, als ze zich willen aanmelden voor een Europees stedennetwerk. Daarna begeleidt ze deze bij de uitvoering, monitoring en verantwoording.

Daarbij gaat het, zo legt ze uit, niet alleen om concrete aanpak van stedelijke uitdagingen, maar vooral ook om een andere manier van stedelijk samenwerken met burgers en organisaties uit de samenleving. BiodiverCity is een zogeheten Action Planning Network, met de nadruk op het gezamenlijk ontwikkelen en testen van nieuwe werkwijzen. Bij Theatre4all als Transfer Network draait het juist om het toepassen en vertalen van een bewezen aanpak - een bestaande “good practice” - voor andere Europese steden.

De inzichten die deelnemers in het netwerk opdoen, werken door naar andere beleidsterreinen en helpen om binnen de gemeentelijke organisatie sectorale grenzen te doorbreken. Crijns spreekt van onverwachte ‘bijvangst’: ‘Je gaat voor een oplossing en komt met iets heel anders terug – bijvoorbeeld een procesinnovatie.’ Daarmee fungeert URBACT voor Den Bosch als een katalysator voor bredere verandering, zo geeft hij aan. Niet alleen inhoudelijk, ook qua houding. Muilwijk ziet dat ook: ‘Gemeenten leren zich kwetsbaarder op te stellen en ruimte te geven aan initiatieven uit de stad. Ze zien in dat participatie iets anders is dan een flyer door de brievenbus. Participatie begint pas echt als het initiatief niet meer van de gemeente zelf hoeft te komen.’

Gemeenten leren zich kwetsbaarder op te stellen en ruimte te geven aan initiatieven uit de stad


Strategische partnerschappen

Voor Leiden is deelname aan Compact Cities, voorbeeld van een partnerschap uit de Europese Urban Agenda, geen vrijblijvende keuze. Het is een logische stap vanuit de ruimtelijke realiteit van de stad. Door de ligging in het Groene Hart en de beperkte uitbreidingsmogelijkheden is Leiden aangewezen op verdichting en zorgvuldig ruimtegebruik. ‘We verwachten best practices te vinden voor complexe opgaven als woningbouw, klimaatadaptatie en een aantrekkelijke openbare ruimte, en te leren van andere partners in Europa’, zegt Paul de Bruijn, gemeentelijk adviseur Europese samenwerking. Daarbij ligt de focus op de praktische vertaling van de 15-minutenstad: een stedelijk model waarin voorzieningen, werk en wonen binnen korte afstand bereikbaar zijn, met grote implicaties voor mobiliteit, betaalbaarheid en leefkwaliteit. De Bruijn benadrukt dat dit tweerichtingsverkeer is: ‘Wat hopen we eruit te halen, of misschien ook erin te stoppen. Leiden werkt al aan de 15-minutenstad en heeft goede voorbeelden in te brengen voor andere Europese steden die hiernaar toe werken. Juist die wederkerigheid maakt Europese samenwerking waardevol, omdat steden met vergelijkbare uitdagingen elkaar versneld vooruit kunnen helpen met ‘tips en tricks waar wij nog niet aan hebben gedacht.’

Juist die wederkerigheid maakt Europese samenwerking waardevol

Deelname aan Compact Cities maakt ook in Leiden deel uit van een bredere strategie waarin stedelijke netwerken een sleutelrol spelen in het realiseren van de ambities van Leiden en de regio. De sleutelstad opereert hierbij in regionaal verband, onder meer via de Key Region Leiden, de innovatieregio rond bio-sciences met de omliggende gemeenten en economische clusters als het space cluster en het drone cluster. ‘We willen met strategische partnerschappen met kennisinstellingen, bedrijven en andere Europese regio’s de positie van de Leidse regio versterken’, geeft De Bruijn aan. Waar veel steden al een permanente vertegenwoordiging hebben, zet Leiden stappen om die aanwezigheid te intensiveren. ‘Ik zal er zeker vaker zijn, en dat is eigenlijk al een hele stap,’ zegt De Bruijn.’
 

Nachtvlinders kijken bij het Engelermeer tijdens de Biodiversiteitsweek in 's-Hertogenbosch.


Maatschappelijke doelen

Een ander partnerschap dat nog in de opstartfase zit is BatteREstore, waar Tilburg in zit. Het is een zogenaamd innovatief samenwerkingsproject onder het European Urban Initiative (EUI), waarin steden, kennisinstellingen en bedrijven werken aan het hergebruik van afgedankte batterijen uit elektrische voertuigen. In plaats van deze batterijen direct te recyclen, richt het project zich op een ‘second life’ in toepassingen met lagere prestatie-eisen, zoals op bouwplaatsen en bij buurtbatterijen. Voor Tilburg is deelname aantrekkelijk omdat de stad hiermee experimenteert met concrete oplossingen voor de energietransitie en netcongestie, en bovendien actief meewerkt aan nieuwe beleids- en toepassingsmodellen die direct in de lokale praktijk getest worden. De samenwerking met andere steden levert daarbij waardevolle kennisuitwisseling op, terwijl Tilburg zelf vooroploopt met een sterke groei van elektrisch vervoer en het oppakken van de bijbehorende opgaven. De relevantie is groot: het project verbindt circulariteit, duurzame energie en sociale vraagstukken zoals energiearmoede.


Haarlem doet al langer mee in de Europese stedennetwerken en partnerships. Zo loopt het partnership Public Procurement inmiddels voor de derde periode.


In een tijd waarin gemeenten steeds meer maatschappelijke opgaven moeten realiseren met beperkte middelen, groeit het belang van strategisch en slim inkopen, legt Valentina Schippers-Opejko uit. Zij coördineert het partnerschap Public Procurement namens de Gemeente Haarlem.
Een belangrijk verworven inzicht bij de partners: inkoop is geen ondersteunend proces, maar een strategisch instrument. Door aanbestedingen bewust in te zetten, kunnen gemeenten innovatie stimuleren, duurzaamheid versnellen en de transitie naar een duurzame economie concreet maken.


Het partnerschap heeft daarnaast geleid tot tastbare resultaten: van praktische handboeken tot prijswinnende projecten en internationale samenwerkingen, zoals initiatieven rond duurzame kunstgrasvelden. Minstens zo waardevol is het netwerk zelf, dat toegang biedt tot Europese kennis en financieringsmogelijkheden. Schippers-Opejko memoreert hoe het partnerschap negen jaar geleden begon met maar een paar deelnemende steden en hoe de belangstelling de afgelopen jaren is gegroeid. ‘Waarom? Omdat de urgentie groot is. Iedereen heeft te maken met inkoop op veel verschillende beleidsvlakken. Slim inkopen is geen keuze meer, maar een noodzaak voor toekomstbestendige steden. En steden willen meer invloed op Europese besluitvorming.’


Behalve een verandering van denken binnen de eigen organisatie, concrete resultaten bij het aanbesteden en meerwaarde voor maatschappelijke doelen, levert het partnerschap Haarlem internationale erkenning op, vertelt Schippers-Opejko. De combinatie van netwerk, kennis en zichtbaarheid maakt steden als Haarlem aantrekkelijke partners in internationale projecten: ‘Dankzij onze positie in Europa worden we heel vaak gevraagd om in consortia te komen voor diverse Europese subsidies.’


Duurzame kunstgrasvelden: Europees leren, lokaal doen
Een van de meest tastbare voorbeelden van slim en innovatief inkopen binnen het Partnership Public Procurement is het project ‘Scale Up Toekomstbestendige kunstgrasvelden’, een gezamenlijk initiatief van Gemeente Haarlem en Gemeente Amsterdam.

Waar kunstgrasvelden traditioneel een lineaire levenscyclus hebben – aanleg, gebruik en afdanking – zetten de gemeenten nu in op een fundamenteel andere benadering. Via een zogeheten pre-commercial procurement wordt de markt actief uitgedaagd om met innovatieve, circulaire, klimaatadaptieve en energie-efficiënte oplossingen te komen.
Naast beide gemeenten zijn onder meer PIANOo (expertisecentrum aanbesteden), adviesbureau Kragten, DRIFT (onderzoeksinstituut duurzaamheidstransities) en SRO Kennemerland betrokken als kennis- en uitvoeringspartners en werken de marktconsortia GOO4iT, EnergieVeld en Antea Sport mee, die samen nieuwe generaties sportvelden ontwikkelen.

De kern van het project zit niet alleen in de techniek, maar in de manier van aanbesteden. Door niet langer te sturen op laagste prijs, maar op maatschappelijke waarde, ontstaat ruimte voor innovatie.
Nieuwe kunstgrasrollen liggen klaar. In het project Scale Up Toekomstbestendige kunstgrasvelden stimuleren Haarlem en Amsterdam marktpartijen om met innovatieve oplossingen te komen voor duurzame kunstgrasvelden. Beeld: Gemeente Amsterdam

Meer samenhang en slagkracht

De opbrengsten van tien jaar Europese Agenda Stad (UAEU) met al zijn onderdelen zijn niet eenduidig in klassieke beleidsresultaten te vangen, vertellen alle bronnen voor dit artikel. De partnerschappen leveren vooral ‘zachte’ resultaten op: kennis, netwerken en gezamenlijke leerprocessen. ‘Wat is winst?’ vraagt Urban Envoy Van Dantzig retorisch. ‘Is dat aangepaste wetgeving? Of is het kennisontwikkeling en samenwerking? Dat hangt ervan af hoe je ernaar kijkt.’ Zo leveren partnerschappen concrete inzichten op over hoe Europese regels in de praktijk kunnen
worden toegepast. ‘Bijvoorbeeld bij het partnerschap Greening Cities, dat samenliep met de natuurherstelwet. Dan gaat het over vragen als: Wat is stedelijk groen en hoe kom je tot een plan? Hoe meet je dat? Hoe ga je dat monitoren? Dat soort implementatievraagstukken worden steeds urgenter en daar kan en heeft het partnerschap een belangrijke bijdrage aan geleverd.’

De effectiviteit van de stedelijke samenwerking onder druk

Tegelijkertijd staat de effectiviteit van de stedelijke samenwerking onder druk. Een belangrijke uitdaging is de versnippering van initiatieven en beleidskaders. In december 2025 heeft de Europese Commissie zijn vernieuwde EU-agenda voor steden gepresenteerd: EU Agenda for Cities: Driving Growth and Prosperity.


Waar de UAEU vooral focuste op samenwerkingsvormen, zet de Cities Agenda vol in op actie en directe ondersteuning voor de groene, digitale en sociale transitie van steden. Van Dantzig vindt het jammer dat de synergie met de Urban Agenda niet duidelijk is. ‘Ik vind het ingewikkeld dat we die twee naast elkaar hebben,’ zegt Van Dantzig. ‘Ik had liever gezien dat de Cities Agenda geïntegreerd was in de Urban Agenda, zodat het gezamenlijke verhaal sterker wordt.’

Een tweede grote zorg betreft de financiering en structurele inbedding van stedelijk beleid. Hoewel het belang van steden breed wordt erkend, is dit nog niet altijd terug te zien in Europese budgetten. ‘De Cities Agenda klinkt ambitieus,’ aldus Van Dantzig, ‘maar hoe gaat de Europese Commissie dat realiseren na 2027? Er zijn bij de Cities’ Agenda geen middelen gegarandeerd.’ Dit leidt ook tot zorgen bij steden zelf, zeker in het licht van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader dat vanaf 2028 ingaat, ervaart zij.


Toch blijft deelname aan stedelijke partnerschappen en netwerken zinvol. Petra van der Elst, namens Breda betrokken bij het netwerk Agents of Co-Existence, beveelt het iedere gemeente aan aan. ‘Je moet bereid zijn er tijd en geld in te steken. Het kost capaciteit en continuïteit om opgedane kennis daadwerkelijk te vertalen naar de eigen organisatie. De opbrengsten zijn niet altijd direct tastbaar of snel implementeerbaar. Maar juist door over grenzen heen te kijken, ontstaat ruimte voor nieuwe perspectieven op lokale vraagstukken – en wordt duidelijk dat ook ogenschijnlijke koplopers nog veel te leren hebben.’


Open calls: URBACT Action Networks en Innovative Actions in EUI
De Call voor Action Netwerken (AN) in URBACT staat open van 17 maart april tot 17 juni 2026. Dit is een nieuw type netwerk, waarin 8-10 steden samen werken aan een gedeelde uitdaging. In iedere stad wordt een lokaal partnerschap van partijen en personen opgezet om acties uit te voeren die gekoppeld zijn aan bestaand lokaal beleid of strategie.

Ook staat de call voor Innovative Actions in EUI open waarin je als gemeente een aanvraag voor het implementeren van een lokale innovatie kunt doen. Hiervoor kun je een bedrag van max. 2 miljoen euro aanvragen. De call is open tot 15 juni 2026.
Gerelateerde Artikelen
Schrijf u in voor de nieuwsbrief Elke week het laatste nieuws over ruimtelijke ontwikkeling in uw inbox.
Link gekopieerd naar klembord