
‘De Natuurherstelwet werkt idealiter als stok én wortel. Maar de wortel werkt lang niet altijd’, zegt Guido Hamelink tijdens een expertmeeting over de Natuurherstelwet van Stichting Steenbreek en vakblad Groen bij Elba\Rec in Amersfoort.
Daar legde hij met andere sprekers nogmaals uit dat de baten van stadsgroen breed worden herkend en dat de in 2024 ingevoerde Europese wetgeving de vrijblijvendheid van vergroening van tafel veegt.
Toch is dat in de praktijk niet altijd genoeg. Groenambities sneuvelen geregeld bij woningbouwdruk, stijgende kosten, parkeerclaims of beheerbudgetten.
De natuurherstelwet geeft antwoord op het wat en waarom van stedelijk natuurherstel. De grote vraag blijft hoe gemeenten dat straks moeten uitvoeren.
Vrijblijvendheid verdwijnt
Voor gemeenten is vooral artikel 8 relevant. Dat artikel gaat over stedelijke natuur, groenoppervlak en boomkroonbedekking. Tot 2030 mag er geen nettoverlies optreden ten opzichte van 2024. Vanaf 2031 moet sprake zijn van aantoonbare groei.
Volgens Guido Hamelink van NL Adviseurs moeten gemeenten zich daarom nu al voorbereiden op monitoring, rapportage en doorwerking in ruimtelijke instrumenten. Denk aan omgevingsvisies, omgevingsplannen, omgevingsprogramma’s, vergunningverlening, beheer en gebiedsontwikkeling.
Over sanctionering bestaan volgens de sprekers nog veel vragen. Toch geeft de wet overheden op meerdere niveaus een extra stok achter de deur. Vooral EU-lidstaten worden aangesproken op uitvoering. Nederland moet laten zien hoe natuurherstel wordt georganiseerd, gemeten en doorvertaald naar beleid.
Belangrijkste onderdelen EU-natuurherstelwet
De EU-natuurherstelwet bestaat uit meerdere herstelopgaven. Tijdens de expertmeeting zette Guido Hamelink van NL adviseurs de belangrijkste onderdelen op een rij.
Artikel 1-3: doel, reikwijdte en definities
De wet verplicht lidstaten tot actief natuurherstel. Ook worden definities vastgelegd, wat volgens Hamelink relevant is omdat sectoren nu vaak verschillende begrippen gebruiken.
Artikel 4: land, kust en zoetwater
Herstel van habitattypen die in slechte toestand verkeren. De wet werkt met oplopende doelen richting 2030, 2040 en 2050.
Artikel 6 en 7: energie en Defensie
Ruimte voor uitzonderingsgronden, bijvoorbeeld voor windparken op zee of defensieterreinen, onder voorwaarden.
Artikel 8: stedelijke natuur
Voor gemeenten het meest directe artikel. Het gaat om stedelijk groen en boomkroonbedekking. Tot 2030 geldt geen nettoverlies ten opzichte van 2024, daarna moet een stijgende lijn ontstaan.
Artikel 9: rivierconnectiviteit
Lidstaten moeten barrières in watersystemen in beeld brengen en waar mogelijk verwijderen. Het Europese doel is 25.000 kilometer vrij stromende rivieren.
Artikel 10: bestuivers
De afname van bestuivers, zoals bijen, vlinders en zweefvliegen, moet worden gestopt. Daarna volgt monitoring van herstel.
Artikel 13: bomen
Opgave rond het aanplanten en versterken van bomen, relevant in combinatie met stedelijk groen en boomkroonbedekking.
Artikel 14 en 15: nationaal herstelplan
Lidstaten moeten een nationaal herstelplan opstellen. Nederland moet in september 2026 een concept indienen. In september 2027 moet duidelijker zijn hoe de uitvoering vorm krijgt.
Uitvoering blijft open
De wet benoemt waarom herstel van stedelijke natuur nodig is en wat er in hoofdlijnen moet gebeuren. Maar de uitvoering is nog niet uitgekristalliseerd. Nederland werkt aan een Nationaal Herstelplan dat richting moet geven aan de praktijk.
De conceptversie van dat plan wordt in september 2026 verwacht. Na beoordeling door de Europese Commissie moet in september 2027 duidelijker zijn hoe Nederland de wet uitvoert. Gemeenten hebben daardoor beperkt tijd om hun eigen organisatie, data en instrumenten op orde te brengen.
Die voorbereiding kan niet wachten tot alle juridische details bekend zijn. Gemeenten kunnen nu al hun groen- en boomdata actualiseren, bestaand groen beter beschermen en projecten toetsen op mogelijk nettoverlies. Ook kunnen zij natuurinclusief bouwen concreter borgen in ruimtelijke kaders.
Joost Verhagen van Cobra Groeninzicht bracht tijdens de bijeenkomst een pessimistischer geluid dan andere sprekers. Volgens hem zijn veel gemeenten nog niet klaar voor de consequenties. Bomen staan onder druk door hitte, slechte groeiplaatsen en beheerachterstanden. Als de wet echt landt, wordt bomenkap minder vanzelfsprekend.
Singapore als tijdspiegel
Elwin de Vink van Donker Groep liet juist een optimistischer perspectief zien. Volgens hem kan de wet helpen om groen eerder in planvorming te verankeren. Niet als decoratie achteraf, maar als voorwaarde aan de voorkant van gebiedsontwikkeling.
Daarbij verwees hij naar Singapore. In ongeveer 25 jaar wist de stadstaat groen beleidsmatig en zichtbaar in het straatbeeld af te dwingen. Die termijn is relevant, omdat ook de EU-natuurherstelwet richting 2050 werkt. Nederland heeft ongeveer dezelfde periode om stedelijke natuur in plannen, wijken, straten, bedrijventerreinen en ontwikkelgebieden te laten landen.
De vergelijking met Singapore legt ook een tweede les bloot. De stadstaat vergroent met soorten die passen bij het lokale klimaat. Dat raakt aan de waarschuwing van Joost Verhagen. Volgens hem dreigt een groot deel van het stedelijke bomenbestand de komende decennia te verdwijnen.
Verhagen doelt daarbij onder meer op hitte, droogte, slechte groeiplaatsen en boomsoorten die niet bestand zijn tegen veranderende omstandigheden. De opgave is dus niet alleen om méér bomen te planten. Gemeenten moeten ook kiezen voor soorten die toekomstbestendig zijn en voldoende groeiruimte krijgen.
Groenkwaliteit telt
Een zwakte van de wet is dat zij sterk leunt op kwantiteit, aldus Verhagen en Platel. Artikel 8 kijkt vooral naar groenoppervlak en boomkroonbedekking. Dat is nodig voor meetbaarheid, maar zegt nog niet genoeg over de ecologische kwaliteit van stedelijke natuur.
Marianne Platel van Vogelbescherming Nederland benadrukte dat stedelijk groen ook moet functioneren als leefgebied. Een grasveld, jonge bomenrij of decoratieve beplanting is niet automatisch natuurherstel. Stadsnatuur moet ook bijdragen aan vogels, bestuivers en andere soorten.
Platel wees daarbij op koppelkansen binnen de natuurherstelwet zelf. Artikel 8 kan volgens haar worden verbonden met artikel 4.7 over herstel van leefgebieden, artikel 10 over bestuivers en artikel 13 over bomen. Daarmee kan stedelijk groen tegelijk bijdragen aan soortenbescherming, insectenpopulaties en de bomenopgave.
Ook particulier groen komt in beeld. De wet kijkt niet uitsluitend naar openbaar groen. Tuinen, bedrijventerreinen, ontwikkellocaties en winkelgebieden tellen mee in de stedelijke groenbalans. Dat maakt communicatie richting bewoners en bedrijven een belangrijk uitvoeringsvraagstuk.
Gemeenten aan zet
Voor Nederlandse gemeenten draait het om de vraag hoe zij de regels kunnen verduidelijken voordat alle rijkskaders zijn uitgewerkt. Dat vraagt samenwerking tussen groen, wonen, economie, riolering, wegen, vastgoed en beheer. De natuurherstelwet moet geen opgave van alleen de groenafdeling worden, zijn de experts het over eens.
Daarbij hebben gemeenten hulp nodig van het Rijk. Het gaat om heldere afbakening van stedelijke ecosysteemgebieden, bruikbare meetmethoden, juridische vertaling naar de Omgevingswet, financiering en ondersteuning bij communicatie. Ook kennis over ecologische kwaliteit moet breder landen in gemeentelijke organisaties.


