
De energietransitie bevindt zich daarmee op een kantelpunt. De technische oplossingen zijn grotendeels beschikbaar, maar de manier waarop Nederland energie produceert, transporteert en gebruikt verandert sneller dan de regels, de financiering en de bestuurlijke organisatie kunnen bijbenen. Tegelijkertijd laten tal van regionale initiatieven zien dat de contouren van een nieuw energiesysteem al zichtbaar worden. De rode draad is steeds dezelfde: energie wordt niet langer achteraf ingepast in de fysieke leefomgeving, maar vormt steeds vaker een uitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkeling.
Naast bestaande regionale structuren ontstaan thematische samenwerkingen rond onderwerpen als warmte, netcapaciteit en gebiedsontwikkeling
Die ontwikkeling vraagt ook om een andere rol van de Regionale Energiestrategieën. Waar de RES'en eerder vooral waren bedoeld om locaties voor wind- en zonne-energie aan te wijzen, ontwikkelen de meeste regio's zich inmiddels tot bredere energieregio's. Naast duurzame opwekking werken zij aan netcongestie, warmte, energieinfrastructuur, industrie, mobiliteit en de koppeling met ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee verschuift de aandacht van afzonderlijke projecten naar het functioneren van het totale energiesysteem.
Regie
Die verbreding vraagt om nieuwe vormen van samenwerking. In Noord-Holland Noord is daarvoor de Regieroute RES ontwikkeld. Gemeenten, provincie en waterschappen spreken daarin vooraf af hoe zij gezamenlijk optrekken wanneer de uitvoering van regionale afspraken dreigt vast te lopen. Niet de bestuurlijke discussie achteraf staat centraal, maar het gezamenlijk oplossen van knelpunten voordat projecten stilvallen. Daarmee ontstaat een bestuursmodel waarin samenwerking en besluitvorming hand in hand gaan.

Windmolens torenen uit boven nieuwbouwwoningen. Foto: DutchScenery-iStock.com
Ook in Overijssel krijgt die ontwikkeling vorm. De provincie, de RES-regio Twente en de Energietafel West-Overijssel hebben hun afzonderlijke strategieën verbonden in één gezamenlijke Uitvoeringsagenda Energie. Daarmee verschuift de aandacht van visie naar uitvoering. Niet ieder bestuursniveau ontwikkelt nog zijn eigen energiebeleid, maar partijen zoeken nadrukkelijk naar een gezamenlijke agenda waarin investeringen, infrastructuur en ruimtelijke keuzes op elkaar aansluiten.
Niet de bestuurlijke discussie achteraf staat centraal, maar het gezamenlijk oplossen van knelpunten voordat projecten stilvallen
Die ontwikkeling laat zien dat de energietransitie steeds minder een verzameling afzonderlijke projecten is en steeds meer een permanente interbestuurlijke opgave. Dat vraagt niet alleen om samenwerking binnen regio's, maar ook tussen regio's onderling. Zeker wanneer de beschikbare ruimte voor duurzame opwekking en de capaciteit van het elektriciteitsnet steeds ongelijker over Nederland zijn verdeeld.
Gebiedsontwikkeling
Minstens zo ingrijpend verandert de manier waarop energie onderdeel wordt van ruimtelijke planvorming. Waar energievoorziening lange tijd volgde op woningbouw of bedrijvigheid, groeit het besef dat toekomstige gebiedsontwikkeling alleen kansrijk is wanneer het energiesysteem vanaf het begin wordt meeontworpen.
Arnhem behoort tot de voorlopers op dat gebied. Met het programma Energie voor Arnhem wordt de Omgevingswet benut om energie een integraal onderdeel te maken van gebiedsontwikkeling. Niet de vraag hoeveel elektriciteit een wijk nodig heeft staat centraal, maar hoe vraag, opwek, opslag en infrastructuur zo kunnen worden georganiseerd dat het elektriciteitsnet zo doelmatig mogelijk wordt benut. Daarmee verschuift energie van een technische randvoorwaarde naar een sturend principe in de ruimtelijke inrichting.
Een vergelijkbare gebiedsgerichte benadering is zichtbaar op Landgoed Sandenburg op de Utrechtse Heuvelrug. Daar wordt duurzame energie niet ontwikkeld als een losstaand project, maar verbonden met natuurontwikkeling, waterbeheer en landbouw. De energieopgave wordt daarmee onderdeel van een bredere landschappelijke ontwikkeling, waarin meerdere maatschappelijke doelen tegelijkertijd worden gerealiseerd. Dat sluit aan bij de groeiende overtuiging dat draagvlak eerder ontstaat wanneer energie zichtbaar bijdraagt aan de kwaliteit van een gebied.
De zoektocht naar nieuwe windlocaties laat zien dat de ruimtelijke logica verandert
Ook de zoektocht naar nieuwe windlocaties laat zien dat de ruimtelijke logica verandert. In plaats van uitsluitend te zoeken naar geschikte locaties in het buitengebied richten provincies zich steeds vaker op gebieden met een hoge energievraag, zoals bedrijventerreinen. Noord-Holland liet bovendien zien dat provincies ook zelf ruimte kunnen creëren door lokale milieunormen vast te stellen. Voor de uitbreiding van windpark Boekelermeer werden provinciale normen vastgesteld in afwachting van nieuwe landelijke regelgeving. Daarmee werd voorkomen dat noodzakelijke ontwikkelingen volledig stil zouden vallen.
Flexibiliteit
De ruimtelijke inrichting verandert, maar ook het energiesysteem zelf wordt steeds decentraler. Batterijopslag, energiehubs, energiegemeenschappen en slimme sturing van vraag en aanbod ontwikkelen zich van innovatieve experimenten tot onmisbare onderdelen van een robuust energiesysteem.
Het energiesysteem wordt steeds decentraler
Op bedrijventerrein Beverwijk zoeken ondernemers en gemeente gezamenlijk naar manieren om ondanks netcongestie ruimte te creëren voor verduurzaming en economische groei. Door elektriciteitsverbruik, opwek en opslag op elkaar af te stemmen kan de bestaande netcapaciteit beter worden benut. Zulke energiehubs maken duidelijk dat samenwerking tussen bedrijven minstens zo belangrijk wordt als uitbreiding van de infrastructuur.
Een vergelijkbare ontwikkeling is zichtbaar in Oosterhout, waar het eerste grootschalige batterijsysteem van Nederland als officiële congestieverzachter een voorrangspositie krijgt op het hoogspanningsnet. Daarmee verandert ook de functie van opslag. Batterijen zijn niet langer alleen bedoeld om duurzame elektriciteit op te slaan, maar worden een actief onderdeel van het elektriciteitssysteem doordat zij schaarse netcapaciteit helpen vrijspelen.
Toch laten beide voorbeelden ook zien waar de grootste belemmeringen liggen. Technisch zijn de oplossingen beschikbaar, maar de maatschappelijke waarde ervan wordt nog onvoldoende beloond. Investeringen in flexibiliteit voorkomen kostbare netverzwaring, maar leveren initiatiefnemers vaak onvoldoende financieel rendement op. Daardoor blijven veel projecten afhankelijk van pilots, subsidies of uitzonderingsposities.

Gestapelde zonnepanelen aan de gevel. Foto: Robert Heemskerk-iStock.com
Warmte
Hetzelfde spanningsveld is zichtbaar bij collectieve warmte. Vrijwel alle regio's zien warmtenetten als een belangrijk onderdeel van een toekomstbestendig energiesysteem. Niet alleen omdat zij gebouwen duurzaam kunnen verwarmen, maar ook omdat zij de belasting van het elektriciteitsnet aanzienlijk beperken.
In Holland Rijnland wordt onderzocht hoe aardwarmte en restwarmte uit de Rotterdamse haven kunnen uitgroeien tot een regionaal warmtenet. Technisch is veel mogelijk en de maatschappelijke baten zijn groot: minder netcongestie, lagere maatschappelijke kosten en een duurzamere warmtevoorziening. De praktijk laat echter zien dat juist de laatste stap moeilijk blijkt. Zonder structurele financiering en langjarige investeringszekerheid komen dergelijke projecten moeizaam van de grond.
Vrijwel alle regio's zien warmtenetten als een belangrijk onderdeel van een toekomstbestendig energiesysteem
Daarmee illustreren warmtenetten een bredere uitdaging binnen de energietransitie. Veel oplossingen leveren maatschappelijke winst op, maar de kosten en baten zijn ongelijk verdeeld. Wie investeert in collectieve systemen voorkomt toekomstige investeringen in het elektriciteitsnet, maar profiteert daar zelf lang niet altijd van.
Gemeenschap
Ook lokaal eigendom krijgt in die nieuwe werkelijkheid een andere betekenis. Energiecoöperaties worden steeds minder uitsluitend gezien als instrument om draagvlak voor wind- en zonneparken te vergroten en steeds meer als partners in het lokale energiesysteem.
De samenwerking tussen de gemeente Gooise Meren en energiecoöperatie Wattnu laat zien hoe die ontwikkeling eruit kan zien. De ambitie is om lokaal opgewekte elektriciteit ook zoveel mogelijk lokaal te gebruiken. Dat vraagt om meer dan alleen duurzame opwekking. Opslag, energie delen, flexibiliteit en gezamenlijke sturing worden minstens zo belangrijk. Energiegemeenschappen kunnen daarmee bijdragen aan een efficiënter gebruik van het elektriciteitsnet én aan grotere betrokkenheid van inwoners.
De ontwikkeling van lokale energiesystemen achter bij de technische mogelijkheden
Tegelijkertijd lopen ook energiecoöperaties tegen dezelfde barrières aan als gemeenten en bedrijven. Investeringen in opslag of flexibiliteit leveren maatschappelijke voordelen op, maar passen nog onvoldoende binnen bestaande regelgeving en financieringssystematiek. Daarmee blijft de ontwikkeling van lokale energiesystemen achter bij de technische mogelijkheden.
Perspectief
De praktijk laat zien dat de contouren van het toekomstige energiesysteem al zichtbaar zijn. In vrijwel alle regio's ontstaan initiatieven waarin energie, ruimte en economie steeds nauwer met elkaar worden verbonden. De grootste uitdaging ligt dan ook niet langer in het ontwikkelen van nieuwe technieken, maar in het aanpassen van de spelregels waarbinnen die technieken moeten functioneren.
Dat vraagt om snelle duidelijkheid over milieunormen voor windenergie, betere financiële randvoorwaarden voor warmtenetten en flexibiliteit, meer inzicht in beschikbare netcapaciteit en een ruimere toepassing van de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt. Minstens zo belangrijk is een heldere langetermijnvisie op het energiesysteem richting 2040 en 2050, zodat decentrale overheden hun ruimtelijke keuzes daarop kunnen baseren.
De energietransitie ontwikkelt zich daarmee steeds minder tot een verzameling afzonderlijke energieprojecten en steeds meer tot een ruimtelijke herinrichting van Nederland. Juist op het snijvlak van energie, ruimte en bestuur zal de komende jaren worden bepaald of de ambities voor klimaat, woningbouw, economie en energie-onafhankelijkheid daadwerkelijk samen kunnen komen.


