Advertentie
Archief

Hoe gebrek aan stedelijke woonmilieus resulteert in probleemcumulatiegebieden

Auteur ROmagazine.nl

26 februari 2014 om 09:41, Leestijd ca. 7 minuten


Wie woont waar en waarom? Dat is een ingewikkelde vraag, en voor een antwoord hierop is het zaak om goed te kijken naar woonvoorkeuren van huishoudens. Die voorkeuren verschillen, want mensen verschillen. Daarover is iedereen het eens. Maar is het ook zo dat huishoudens zich in de ruimte vrijwillig uitsorteren op basis van hun voorkeuren? Dat wil zeggen: is iedereen vrij zijn woonlocatie te kiezen, al naar gelang de mate waarin eigen voorkeur past bij het aanwezige voorzieningenniveau van een locatie?

In de recente publicatie Soort zoek soort. Clustering en sociaal-economische scheidslijnen in Nederland, een samenwerkingsproductie van Platform31 en de Vrije Universiteit Amsterdam, is gezocht naar een antwoord. Daarin wordt onder andere gesteld dat dat elke Nederlander wel zo’n beetje woont waar hij wil wonen. En segregatie zou dan geen probleem zijn.
Zou het werkelijk?

Heel veel mensen willen in de centrumstedelijke gebieden van Amsterdam wonen. Daarom zijn de m2-prijzen zo hoog. En omdat die prijzen zo hoog zijn wonen die meeste mensen die er willen wonen, ergens anders. Wat is een centrumstedelijk milieu? Dat is een ‘woonomgeving’ die gekenmerkt wordt door een mix van woningen, stedelijke voorzieningen als theaters, bioscopen, andere culturele podia, kinderopvang, horeca, ateliers, broedplaatsen, werkruimten, parken, pleinen, kantoren en andere bedrijven. De Amerikaanse architect Michael Sorkin (2010) noemt dit de urban fabric.

Hoge m2-prijzen voor woningen betekenen dat de vraag het aanbod overschrijdt. Anders gezegd, er is een groot tekort aan gemengde woon-werkmilieus. Groot, omdat de prijzen de pan uitrijzen. Zó groot, dat ook op plekken die grenzen aan de urban mix de m2-prijzen de laatste jaren flink zijn toegenomen. Toegegeven, de huidige financiële crisis heeft hierop een dempende werking, maar de vraag naar woningen blijft evident. Zo evident dat het geringe aanbod door enerzijds het al jarenlange bestaan van scheefwoners (stedelingen die sociale huurwoningen bezetten terwijl hun huidige financiële situatie dat niet rechtvaardigt), en anderzijds het huidige gebrek aan investeringsbereidheid en –mogelijkheid, een muurvaste Amsterdamse woningmarkt tot gevolg heeft. Dat maakt de urban fabric ontoegankelijk, niet alleen voor de minder draagkrachtigen (studenten, pas afgestudeerden), maar ook voor jong volwassenen, andere starters op de woningmarkt, jonge gezinshuishoudens, en empty nesters.

Waarom willen deze groepen zo graag in de urban fabric wonen? Dat heeft alles te maken met de opkomst van de kenniseconomie. De kenniseconomie blijkt cruciaal voor de revival van steden als Amsterdam, Londen, Berlijn en New York vanaf midden jaren ’90 van de vorige eeuw, en is bepalend voor de toekomst van deze en andere westerse steden. Deze productiefactor is om economische redenen sterk op de stad georiënteerd en stelt specifieke eisen aan dat stedelijk milieu. In de eerste plaats is creatieve kennisindustrie ruimtelijk geconcentreerd in centraal stedelijke milieus vanwege agglomeratievoordelen.

In de tweede plaats ontstaan creativiteit en kennisontwikkeling het snelst in een omgeving met anderen: ze zijn het resultaat van voortdurend tegen elkaar opboksen van andere en vreemde ideeën. Veelzijdige en veelsoortige contacten zorgen voor synergie, noodzakelijk voor innovatie, en dus vooruitgang. Die zijn in de stad legio voorhanden.

Tenslotte heeft kennis twee verschijning vormen: standaardkennis en persoonsgebonden kennis. En juist om persoonsgebonden kennis gaat het in de creatieve kenniseconomie. Standaardkennis is snel toegankelijk via internet en bibliotheken. Persoonsgebonden kennis (taciete kennis) echter is uniek en specifiek. Toegang tot deze kennis geschiedt veelal door persoonlijk contact dat het snelst face to face wordt overgebracht. Deze economie kan dan ook omschreven worden als een interactie-economie! Die face to face contacten spelen zich in toenemende mate af in hybride omgevingen als ontbijtcafés, loungeplekken, bibliotheken, Starbucks, musea, galeries, parken, en cafés.

Deze drie redenen voor een stedelijk georiënteerde creatieve kenniseconomie zijn niet nieuw. Jane Jacobs en anderen beschreven dit al eerder. Maar anders dan in de economische geschiedenis tot dit moment, is het hiervoor beschreven menselijk kapitaal de belangrijkste productiefactor in de westerse economie. Niet alleen in aandeel van de werkgelegenheid, maar ook in toegevoegde waarde. In Amsterdam bijvoorbeeld schommelt de beroepsbevolking werkzaam in de creatieve kenniseconomie (nog los van de aan deze economie gekoppelde bedrijvigheid in bijvoorbeeld de horeca) rond de 50 procent. De sterkste groei zit in deze sector van de economie.

Kortom, het belang voor de nieuwe economie van agglomeratievoordelen, de onontbeerlijke stimuli tot synergie en innovatie en de noodzaak tot face to face contacten, dwingt creatieve kenniswerkers en -bedrijven zich te oriënteren op de urban fabric. Het is geen kwestie van willen, maar van moeten! Deze noodzaak is kennelijk zo groot dat huishoudens bereid zijn m2-woonoppervlak in te leveren om maar zo dicht mogelijk bij het centrumstedelijk voorzieningenniveau te wonen.

Het scharen van de woonvoorkeuren van stedelijk georiënteerde huishoudens onder ‘lifestyle’ alleen, veronachtzaamt de noodzaak tot nabijheid van de urban fabric. De urban fabric is de bedrijvenlocatie bij uitstek in de nieuwe economie. We hebben kortgezegd te weinig urban fabric!

Dat is al een probleem op zich. Maar kent de eerder geschetste ontoegankelijkheid van de urban fabric nog verdere problemen? Wel degelijk! Zo verleggen stedelijk georiënteerden in Amsterdam die niet aan een gewenste woning komen, in substantiële mate hun woonvoorkeur naar Haarlem, Utrecht en zelfs Berlijn of Brussel. Daarmee loopt de Amsterdamse respectievelijk Nederlandse economie menselijke kapitaal mis.

Vervolgens blijkt dat studenten en pas afgestudeerden hun weg binnen de urban fabric standvastig blijven zoeken tot ze een soms zeer oncomfortabele (kwalitatief of financieel) woning hebben gevonden. Voor zeer weinig woonoppervlak (soms zelfs minder dan 12m2) en/of gebrekkige voorzieningen (geen verwarming) worden woekerprijzen betaald. Deze stedelijk georiënteerde groepen gaan niet naar de monofunctionele woonstapelplekken (Vinex-locaties) als Almere, Purmerend of Hoofddorp. Ook niet naar de hardcore modernistische wijken als Bijlmermeer en grote delen van de Westelijke Tuinsteden.

Waarom niet? Omdat daar de essentiële mix van een rijk voorzieningenaanbod, woningen, bedrijvigheid en interactiemilieus ontbreekt. De modernistische wijken zijn bovendien geen alternatief omdat door de planningsdoctrine ‘licht, lucht en ruimte’ functies juist gescheiden werden. Veel licht, lucht en ruimte maar weinig en slechte voorzieningen, bovendien (meestal) geconcentreerd in volstrekt inwisselbare winkelcentra.

Omdat zij die ‘de keuze hebben’ en zij (studenten en recent afgestudeerden) die er alles voor over hebben om onder bijna ‘onmenselijke’ omstandigheden te wonen (studenten) maar wel in de urban fabric te leven, er niet aan denken om zich in modernistische of Vinex-wijken te vestigen, verworden (veel van) deze wijken inmiddels tot probleemcumulatiegebieden. Zo zijn grote delen van de Westelijke Tuinsteden en de Bijlmermeer domeinen van achterstandsgroepen en kenmerken ze zich door de laagste inkomenscategorieën, de hoogste werkloosheidscijfers, de hoogste mate van schooluitval en het geringste draagvlak voor (winkel) voorzieningen. Dat is triest. Velen in deze wijken ‘horen er niet bij’, zowel in sociaal, economisch maar ook ruimtelijk opzicht. Dat is bijzonder triest, zo niet inhumaan, voor het vele talent dat in deze gebieden aanwezig is. Dit talent wordt niet ontdekt, niet ontwikkeld, en uiteindelijk ook niet verzilverd.

Ruimtelijke uitsortering van verschillende type huishoudens wordt in Amsterdam veroorzaakt door gebrek aan gewilde (stedelijke) woonmilieus waardoor kansrijken simpelweg naar elders (waaronder het buitenland) vertrekken en kansarmen achterblijven in monofunctionele gebieden waar het voorzieningenniveau zo deplorabel is dat de groeiende aantallen stedelijk gerichte huishoudens er niet alleen niet willen, maar ook niet kunnen wonen. Deze verworden in razend tempo tot probleemcumulatiegebieden.

De woningmarkt verandert van een aanbod- naar een vraagmarkt waarin mensen met ‘hun voeten stemmen’. Deze verandering is het gevolg van demografische krimp en een economie die verstedelijkt. In tijden van crisis zijn woningen (afhankelijk van de locatie) òf niet aan de straatstenen te slijten, òf veel te duur. Daarmee zitten de Nederlanders vast waar ze wonen, in toenemende mate gesegregeerd. Dat heeft met keuzevrijheid niet zoveel te maken.

Jos Gadet
Hoofdplanoloog, Dienst Ruimtelijke Ordening gemeente Amsterdam
Gerelateerde Artikelen
Link gekopieerd naar klembord