Van WGR+ naar hybride en flexibele regionale netwerken

Archief
Auteur ROmagazine.nl

06 februari 2012 om 11:52, Leestijd ca. 6 minuten


Afschaffing van de WGR+regio is geen ramp. De vele succesvolle samenwerkingsverbanden naast de WGR+regio’s laten zien dat het ook anders kan. Deze conclusie komt naar voren in een studie naar het succes van regionale samenwerkingsverbanden door advies- en projectmanagementbureau Procap. In veel regio's zijn gemeenten er van overtuigd dat ze van elkaar afhankelijk zijn en hebben ze naar elkaar toe uitgesproken de samenwerking voort te zetten als de WGR+ status vervalt.

Tijdens de lange looptijd van de WGR-regelingen zijn veel veranderingen in de samenwerkingsverbanden zichtbaar geworden. Binnen het gebied van SRE (Stadsregio Eindhoven, WGR+) bijvoorbeeld werken 21 gemeenten samen. Deze schaal is blijkbaar niet optimaal, aangezien er binnen de SRE kleinere netwerken ontstaan. Acht gemeenten in het stedelijk gebied hebben een Convenant Samenwerking Stedelijk Gebied gesloten met meer afspraken over spreiding van wonen en bedrijvigheid. Ook de landelijke gemeenten binnen de SRE van de Peel en de Kempen zoeken elkaar onderling vaker op. De vraag rijst hier dus of de samenwerking niet efficiënter verloopt op een andere schaal of georganiseerd per thema.

Bij de BRU (Bestuursregio Utrecht, WGR+) is steeds minder sprake van echt samenwerken, zoals bij de start van de Vinex-opgaven, en steeds meer sprake van het vinden van bestuurlijke consensus. Een aantal gemeenten binnen deze samenwerking ervaart de BRU als een logge institutionele organisatie die vooral de functie heeft van concessie- en subsidieverlener.

De WGR-regio RNV (Regio Noord Veluwe) verbindt lokale projecten en brengt deze samen onder een regionale noemer om lokale belangen te versterken en in aanmerking te komen voor regionaal geld van de Provincie Gelderland. Nu in deze regio veel intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zijn ontstaan met verschillende onderwerpen, maar vaak met dezelfde partners, wordt de meerwaarde van de RNV door een aantal partijen ter discussie gesteld.

Gedeelde belangen

Bovenstaande voorbeelden illustreren dat in de regio’s wordt gezocht naar de optimale schaal van samenwerken met meer ruimte voor flexibiliteit. Er is een spanningsveld tussen daadkracht en slagkracht. Beslissingen worden sneller genomen in een kleiner netwerk, terwijl met een grotere groep meer slagkracht wordt georganiseerd. Regionale samenwerkingsverbanden kunnen ook minder zwaar worden opgetuigd. Dat blijkt uit de succesfactoren van een aantal thematisch georganiseerde samenwerkingsverbanden.

Bij een succesvolle regionale samenwerking versterken verschillende lokale belangen elkaar en vormen een (of meerdere) gedeelde belangen. Een mooi voorbeeld van succesvol agenderen vinden we bij het project Hof van Delfland, de ontwikkeling van een metropolitaan park tussen Den Haag en Rotterdam. De gemeente Midden Delfland heeft zich hard gemaakt voor de regionale samenwerking om het groene gebied te behouden. Ook heeft zij andere gemeenten, de provincie, stadregio’s en het waterschap laten inzien dat ook zij belang hebben bij het behoud van dit open landschap. Door het aantrekken van aansprekende ambassadeurs voor het project en een goede lobby, georganiseerd vanuit het programmabureau, vormt het project inmiddels een van de 7 pijlers van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Over regionaal agenderen gesproken!

Gedragen programma

Als de wil tot samenwerken er is, dan is het belangrijk om vanuit de kracht van de regio ambities op te stellen. De ambitie wordt op regionale schaal, gezamenlijk met alle partijen, vertaald in programma’s en afspraken worden vastgelegd in een (politiek en publiek) gedragen uitvoeringsagenda. Alleen door echt gezamenlijke inbreng kunnen verschillende lokale en regionale belangen goed worden gekoppeld.

Een van de samenwerkingsverbanden waar Procap mee sprak had een regionale ruimtelijke visie laten opstellen door een extern bureau. De partners werden niet betrokken bij het opstellen van de visie. Het gevolg was dat partners zich niet verbonden voelden met de ambitie en de daaruit voortvloeiende programmering. Daarnaast waren er geen concrete en bindende afspraken gemaakt over de uitvoering van het programma. De partners stelden de visie en het programma vast, maar deze werd niet ingebed in de lokale visies. De samenwerking loopt dus stuk bij afwezigheid van een gedeeld belang en een gedragen programma met concrete afspraken.

Levendige samenwerking

Regionale ruimtelijke opgaven kosten tijd. Partijen werken dus een lange periode samen. Uiteraard zijn bindende afspraken cruciaal. Maar alleen met documenten redt een samenwerking het niet. Een samenwerking blijft levendig door partijen, en dus mensen, continu te binden. In het Veenweidepact, agrarische herstructurering en natuurontwikkeling in de Krimpenerwaard, zijn bestuurlijke trekkers aangesteld per thema. Gaandeweg een project worden programma’s concreter en belangen pas echt duidelijk. Dan is het goed om verantwoordelijkheid te verdelen en een bestuurder ‘eigenaar’ te maken van een thema. Partijen spreken elkaar daardoor sneller aan op gemaakte afspraken.

Binding ontstaat ook door met lokale bestuurders successen op regionaal niveau te vieren en te laten zien wat de effecten zijn van de regionale samenwerking. In het project Deltanatuur, natuurontwikkeling ten zuiden van Rotterdam, hebben regionale bestuurders successen gedeeld met lokale bestuurders om het enthousiasme voor het project op het lokale niveau te borgen.

Tijdens een langdurig project is het uitvoeren van een evaluatie een goed middel om de samenwerking niet alleen inhoudelijk, maar ook relationeel te verbeteren. Na vier jaar werd het regionale project Hollandsche IJssel geëvalueerd en werd duidelijk dat het programmabureau te veel gericht was op uitvoering van deelprojecten en dat andere partijen daardoor een afwachtende houding hadden aangenomen. Het programmabureau is vervolgens meer gaan sturen op voortgang en spreekt partners aan op hun verantwoordelijkheid om deelprojecten te realiseren.

Middenveld en bedrijfsleven

Uit de studie van Procap blijkt ook dat veel regionale samenwerkingsverbanden met name gericht zijn op overheden. De betrokkenheid van ondernemers, bewoners en het maatschappelijk middenveld was in de meeste gevallen opvallend klein. Dit zal met een kleiner wordende overheid die andere partijen wil betrekken bij de ruimtelijke ordening anders moeten. Slechts in een aantal grotere regionale samenwerkingsverbanden zien we een toenadering tot het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld. Het beste voorbeeld hiervan is te zien in de regio Achterhoek. In november 2011 is een regionale agenda ondertekend door de 3 O’s: Overheid, Ondernemers en maatschappelijke Organisaties. Deze partijen beseffen dat ze alleen door samen te werken iets kunnen doen aan de leefbaarheid in dorpen en wijken in de regio.

Regionale opgaven vragen om een dynamische aanpak, want opgaven en urgentie veranderen constant. De samenwerkingsorganisatie moet daarop flexibel kunnen reageren. Partijen, zowel overheden als niet-overheden, moeten kunnen aanhaken of afscheid kunnen nemen afhankelijk van de urgentie van het moment en de mate waarin belangen elkaar kunnen versterken. De gemeenten en provincies moeten in hybride netwerken - dus samen met het maatschappelijk middenveld, ondernemers en bewoners - aan de slag met de ruimtelijke opgaven in een dynamiek die past bij de regio en haar opgave. Het is het regionale schaalniveau waar de oplossingen gevonden moeten worden, een WGR+status is daarvoor echter niet noodzakelijk.

Brechtje van Boxmeer & Karlijn de Kruif, adviseurs en projectmanagers bij Procap.
Gerelateerde Artikelen
Schrijf u in voor de nieuwsbrief Elke week het laatste nieuws over ruimtelijke ontwikkeling in uw inbox.
Link gekopieerd naar klembord