City Deals voor een circulaire economie in 2050: Elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar

| 18 november 2021

Een circulaire stad is mogelijk. Ook nu al. Dat was de conclusie toen staatssecretaris Stientje van Veldhoven drie jaar geleden de resultaten van de City Deal Circulaire Stad in ontvangst nam. Bij die ene City Deal bleef het niet, want ruim twee jaar later ging de in omvang veel grotere City Deal Circulair en Conceptueel Bouwen van start. Beetje bij beetje hoopt Nederland zo de ambitie waar te maken om in 2050 een circulaire economie te hebben

Dit artikel staat in ROm 11, een themanummer ter gelegenheid van de Dag van de Stad op 1 november jl. in Parkstad Limburg. ROm is het maandelijkse vakmagazine voor de fysieke leefruimte en gratis voor ambtenaren in dat domein. Neem een thuisabonnement.

Die door de Europese Unie opgelegde ambitie was in november 2016 het vertrekpunt voor negen gemeenten, drie ministeries en drie kennispartners om de City Deal Circulaire Stad te ondertekenen. 2050 was nog een verre stip aan de horizon, maar om te slagen moesten zo snel mogelijk de eerste stappen worden gezet. Met vijf concrete doelstellingen probeerden de betrokkenen een brede basis te creëren voor de komende jaren. De belangrijkste waren: het ontwikkelen van indicatoren en een monitoringssysteem om de voortgang van een regionale circulaire economie inzichtelijk te maken en het benoemen van huidige belemmeringen die een succesvolle uitvoering van circulaire gebiedsontwikkeling in de weg staan en zoeken naar oplossingen vanuit stedelijk perspectief.

Finch Buildings zette in Leiden in opdracht van Woningcorporatie Ons Doel zestien houten woonmodules neer. De eerste woningen zijn voor tien jaar neergezet, verspreid over drie locaties. De gemeente verplicht zich om na die periode een permanente of nieuwe tijdelijke plek aan te wijzen. Beeld Finch Buildings

Living labs

‘Veel gemeenten hadden destijds nog niet door hoeveel impact een circulaire economie zou maken. Een klein beetje kennis was er wel, maar tools om te monitoren waar de betrokken partijen precies mee bezig waren, die bestonden nog niet’, vertelt Koen Haer, dealmaker bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Om tot een monitoringssysteem te komen, moesten de partijen indicatoren samenbrengen op verschillende schaalniveaus. Daarbij lieten ze zich inspireren door de Monitor Brede Welvaart en de PBL/CBS-publicatie Wat we willen meten en wat we kunnen meten.

In meerdere living labs voerden deelnemende gemeenten Almere, Amsterdam, Apeldoorn, Den Haag, Dordrecht, Haarlemmermeer, Rotterdam, Utrecht en Venlo projecten uit om tot die indicatoren te komen en de circulariteit te vergroten. Haer: ‘Elke gemeente had er een of twee; in Den Haag bijvoorbeeld De Coalities en de Binckhorst, in Rotterdam het Central District en het Hof van Cartesius. Een projectleider bracht de steden eens in de twee maanden bij elkaar. Dan namen ze de casussen van de gemeenten door, deelden de ervaringen en de kennis die was opgedaan. Betrokken kennisinstellingen zoals TNO hielpen mee en de ministeries van BZK, EZK en IenW keken of ze de regelgeving konden aanpassen op plekken waar deze schuurt.’

Bananenschillen

Met het classificeren van afvalstromen als grondstof noemt Haer een voorbeeld uit de praktijk. ‘De afvalstroom van het ene project kan de grondstof van een ander project zijn. Bananenschillen mocht je bijvoorbeeld niet vervoeren met nieuwe projecten, omdat het als afval werd aangemerkt terwijl het ook een grondstof kan zijn. Dat moest echt strikt gescheiden blijven. Heel beknellend, want je wilt dat een vrachtwagen maar een keer door de binnenstad rijdt. Naar aanleiding van dit soort casuïstiek komt de discussie en hiermee ook wet- en regelgeving over afvalstoffen en grondstoffen in beweging. Steeds vaker zien we dergelijke dingen gebeuren. Bijvoorbeeld met afvalstoffen als rubberen banden.’

Er is een monitoringssysteem ontwikkeld om de regionale circulaire economie inzichtelijk te maken


In twee jaar City Deal Circulaire Stad zijn enkele belangrijke belemmeringen uit de weg weggenomen en is een monitoringssysteem ontwikkeld om de regionale circulaire economie inzichtelijk te maken. Zoals dat vaker gaat bij langetermijnprojecten rijzen er nieuwe vragen nadat een oude vraag is beantwoord. Haer: ‘Na de afronding ben ik met een aantal steden gaan zitten om te bespreken wat de volgende stap moest zijn, waar ze mee aan de slag wilden gaan en wat ze van ons als Rijk nodig hadden. Circulair bouwen bleek voor de meeste gemeenten de grootste uitdaging te zijn.’ Dat bracht hem bij collega’s op andere ministeries om te bespreken wat gedaan kon worden om de volgende uitdagingen te faciliteren. En Haer stelde een aparte projectleider aan.

Living labs uit de City Deal Circulaire Stad. Beeld circulairestad.nl

De City Deal Circulair en Conceptueel Bouwen, eerder dit jaar gesloten, is een logisch gevolg van de eerdergenoemde gesprekken. ‘25 procent van de materiaalstromen zit in woningbouw en renovatie. Dan is het duidelijk dat daar nu de grootste stappen in te maken zijn’, aldus Haer. Veel partijen zagen dat ook in, want in totaal zijn er 48 overheden en marktpartijen betrokken bij deze City Deal. Daaronder zeven provincies: Gelderland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Flevoland, Noord-Brabant en Overijssel.

Drie werklijnen

De City Deal zet zich maximaal in om bij te dragen aan een circulaire economie. Daarbij is het uitgangspunt dat er geen nieuwe grondstoffen meer uit de grond kunnen worden gehaald die niet hernieuwbaar zijn. De grondstoffen voor de bouw zullen dus voor de helft uit hergebruikte materialen moeten bestaan. Die komen bijvoorbeeld uit gebouwen die nu worden gebouwd. Hergebruikte gebouwdelen en materialen dus. De andere helft moet uit een hernieuwbare bron komen, bijvoorbeeld hout, vlas, riet, lisdodden, algen of mycelium. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is om zo min mogelijk materiaal te gebruiken en geen afval te produceren.

Om deze doelen te bereiken heeft de City Deal drie werklijnen. De eerste is biobased, die als focus heeft het aandeel van hernieuwbare bouwmaterialen in de bouw zo groot mogelijk te maken. Daar is veel innovatie voor nodig en een enorme opschaling van nationale en regionale grondstoffen, bijvoorbeeld uit de land- en tuinbouw.

De tweede werklijn is conceptueel bouwen met als doel zoveel mogelijk gebouwen uit de fabriek te laten komen. Deze hebben een veel hogere kwaliteit, een veel kortere bouwtijd en veel minder milieu-impact.

De derde werklijn kijkt naar verdienmodellen voor circulair bouwen en de positieve bijkomstigheden zoals gezondheid, duurzaamheid en lagere beheer- en onderhoudskosten.

Innovatietrajecten

Projectleider Gertjan De Werk ziet dat de City Deal na enkele maanden al rendeert. ‘Voor een aantal thema’s liepen er al verkenningen bij diverse overheden en marktpartijen. Bij LNV en BZK gebeurt van alles, maar echte inhoudelijke samenwerking ontbrak. Met deze City Deal kunnen we verschillende zaken met elkaar verweven. Zo gaan we de versnippering tegen en kunnen we meerdere geldstromen van miljoenen euro’s bundelen en richten op dezelfde inhoudelijke doelen. Dat heeft aanzienlijk meer impact.’

‘Met deze City Deal kunnen we verschillende zaken mooi met elkaar verweven’


De steden doen in de living labs veel van het werk, met de expertise van kennisinstellingen. De Werk: ‘Als je de wetenschap betrekt, dan is dat goed voor de validatie en het opzetten van nieuwe innovatietrajecten. Want er is nog veel te doen voordat we volledig circulair en klimaatneutraal zijn. Zo moeten de hogescholen en de universiteiten de mensen gaan opleiden die deze transities straks moeten doorzetten en afmaken.’

In de living labs wordt geëxperimenteerd met nieuwe producten en processen. De gemeenten leveren locaties voor voorbeeldprojecten die de basis vormen voor opschaling.

Volgens de projectleider zijn er altijd koplopers en (snelle) volgers. ‘Bij City Deals als deze is dat juist goed voor de kruisbestuiving, ze inspireren elkaar, net zoals dat het geval is in de living labs op de campussen’, zo zegt hij. Elke gemeente richt zich op een andere manier van biobased bouwen. De Metropoolregio Amsterdam (MRA) bijvoorbeeld heeft met de greendeal houtbouw de ambitie om in 2025 al een kwart van de nieuwbouwwoningen van hout te bouwen.

Ook The Green Village, een fieldlab voor duurzame innovatie op de TU Delft Campus, is betrokken. Ze vergaren kennis over (biobased) bouwen en delen die. Begin dit jaar deed het fieldlab al enkele testen met plaatmateriaal op basis van zeewier en deed het experimenten met stikstofbindend plaatmateriaal op basis van zeoliet en titaniumdioxide.

De ambitie van de City Deal is stevig: vanaf 2023 moeten alle woningen circulair uitgevraagd worden, zodat in 2030 circulair bouwen de standaard is. Het kan, denkt De Werk tot slot. ‘Niemand zit meer op een eigen eiland. De versnelling doen we echt samen. Als het beleid goed is, maken we onszelf overbodig.’

City Deal Circulaire Stad
2016-2018. Deel van de partners: Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, TNO, Circular Economy.

City Deal Circulair en Conceptueel Bouwen
2021-2023. Deel van de partners: Zuid-Holland, Noord-Holland, Utrecht, Noord-Brabant, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Rijksvastgoedbedrijf, TU Delft, Universiteit Utrecht, BAM, ASN Bank, Hogeschool van Amsterdam.