De taaiheid van dagelijkse routines

| 26 augustus 2021

Het is toch gek dat we al jaren praten over de voordelen van functiemenging maar integrale nieuwbouwprojecten nog zo moeilijk van de grond komen, analyseert Jaco Boer. Hoe komt dat, vraagt hij zich af.

Vakanties zijn altijd goede momenten om uit je vertrouwde denkpatronen te stappen en vraagtekens te zetten bij zaken die je normaliter min of meer accepteert. Zo las ik deze zomervakantie een boek over nieuwe stadsbuurten waar wonen, werken, winkelen, zorg en vrijetijdsbesteding vloeiend in elkaar overlopen. Het is toch gek, dacht ik, dat we al jaren praten over de voordelen van functiemenging maar integrale nieuwbouwprojecten nog zo moeilijk van de grond komen. De bakker op de hoek, een crèche op loopafstand en een werkplek op vijf minuten fietsafstand: veel mensen verlangen ernaar maar ze worden afgescheept met monofunctionele woonbuurten waar het winkelcentrum met de bekende retailketens de hoogste vorm van menging lijkt. Om nog maar te zwijgen over de doodsaaie kantoor- en bedrijfsparken die het snelst per auto zijn te bereiken.

Waar komt die hardnekkigheid van de modernistische functiescheiding toch vandaan? Ooit was het een nuttig instrument om de vervuilende industrie van woongebieden af te schermen, maar in de huidige, relatief schone diensteneconomie gaat dat argument niet meer op. De oorzaak ligt eerder bij economische wetmatigheden en planologische tradities. Een woonbestemming brengt zowel voor gemeenten als ontwikkelaars meer op dan een bedrijfsfunctie. Een gemengde nieuwbouwontwikkeling is daardoor minder rendabel dan een monofunctioneel woonproject. Dit soort projecten zijn bovendien ingewikkelder en kennen een hoger afbreukrisico voor alle partijen. Nogal wat bestuurders en ontwikkelaars kiezen daarom voor de gemakkelijkste weg. Maar de nadelen van gescheiden gebiedsontwikkeling worden zo wel erg gemakkelijk afgewenteld op de burger die steeds langer in de file staat en veel tijd verliest met het heen en weer reizen tussen huis, school, winkel, kantoor en crèche.

‘Nogal wat bestuurders en ontwikkelaars kiezen voor de gemakkelijkste weg’


Wonen is niet het enige domein waar bestaande routines en economische wetmatigheden noodzakelijke veranderingen in de weg staan. Zo lukt het Nederland al jaren niet om te voldoen aan zijn eigen ambities voor het opschalen van hernieuwbare energie en het verminderen van de stikstofuitstoot. Tegen beter weten in gaan alle partijen door op de vertrouwde weg tot ze door een rechter worden teruggefloten. En zelfs dan is er nog geen garantie dat een vonnis wordt uitgevoerd. Geen wonder dat met de komst van het coronavirus verschillende opiniemakers hoopten op de Grote Disruptie. De agressieve ziekte zou eindelijk voor noodzakelijke doorbraken op allerlei maatschappelijke terreinen zorgen. Minder reizen, meer thuiswerken en een extensievere landbouw leken slechts het topje van de ijsberg aan nieuwe mogelijkheden.

‘Zelfs een pandemie krijgt ons niet op een ander spoor’


Na twee lockdowns en drie besmettingsgolven die er flink inhakten, ben ik daar een stuk pessimistischer over geworden. Veel dagelijkse routines bleken taaier dan gedacht. Zelfs een pandemie krijgt ons niet op een ander spoor. Zodra het enigszins mogelijk is, hollen we liever terug naar het oude normaal. Zakenbanken in de Verenigde Staten eisen al van hun werknemers dat ze weer op kantoor verschijnen. En de files op de weg zijn weer bijna net zo groot en hardnekkig als voorheen. Of de hevige overstromingen en bosbranden die Europa deze zomer troffen wél voor een doorbraak in de klimaataanpak gaan zorgen, is ook twijfelachtig. Ondanks de honderden doden die erbij vielen. De mens blijkt toch vooral een gewoontedier en voor veel partijen is een verandering van de status quo niet lucratief. Een harde conclusie maar ik kan er moeilijk omheen.

Door Jaco Boer, journalist en publicist