Een minister van Ruimte faciliteert andere overheden

| 20 mei 2021

In tijden van verkiezingen en kabinetsformatie viert lobbywerk hoogtij. Deze keer doet het ruimtelijk beleidsveld stevig mee. De roep om een minister van Ruimte, de terugkeer van een Ministerie van VROM of nieuwe ministeries met ‘ruimte’ gecombineerd met landbouw, klimaat of wonen passeren de revue. Centrale gedachte is dat meer sturing vanuit het Rijk op de ruimtelijke inrichting van ons land nodig is, omdat anders het land ‘verrommelt’ en schaarse ruimte niet slim wordt benut. Ook is dit nodig om woningbouw te versnellen en doelen op het gebied van klimaat, biodiversiteit en milieu op tijd te halen.

In één moeite door is er een pleidooi voor een integrale en gebiedsgerichte aanpak liefst op basis van een lange termijnvisie. Bijzonder, want al decennia is de essentie van ruimtelijke ordening: een geïntegreerde aanpak van vele sectorale opgaven, die in een gebied samenkomen, om meerwaarde voor de samenleving nu en straks te creëren. Per definitie een lange termijn activiteit. Dat het goed komt met meer centrale sturing vanuit een ‘VROM’ en een integrale aanpak, is te simpel gedacht. Er is meer aan de hand. Ik beperk me hier tot (de)politisering van het ruimtelijk beleid door onder meer de uitholling van democratische instituties zoals de gemeenteraad.

‘Over strategische lange termijnvisies, zoals omgevingsvisies op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau, vindt nauwelijks politiek debat plaats’

Tekenend is dat over strategische lange termijnvisies, zoals omgevingsvisies op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau, nauwelijks politiek debat plaatsvindt. Wezenlijke keuzes zijn geabstraheerd en vertaald naar marketing van gebieden: Nederland, alle provincies en gemeenten als een lange termijn sprookje waar alles kan. Wie wil daar niet leven? Met de inhoud kun je het niet oneens zijn. Hoe dit te bereiken is in veel visies (nog) niet uitgewerkt. Problemen en keuzemogelijkheden verdwijnen onder de tafel en faciliteren niet het maatschappelijk en politiek debat of zijn geen resultante van een scherp debat. De boemerang komt vervolgens hard terug. Bijvoorbeeld als het om een windturbine in een achtertuin gaat. Vakgenoten, als ondersteuners in dit proces, zouden veel meer scherpte moeten aanbrengen in de opgaven en de gevolgen van mogelijke keuzen waar we voor staan. Vertegenwoordigende organen als gemeenteraden, provinciale staten en de Tweede Kamer moeten hun rol opeisen als kadersteller: agendeer de punten waar echt wat te kiezen valt en ga het debat aan met inwoners en collega-politici. 

We moeten stoppen om onze democratische instituties te ondermijnen, vooral de positie van gekozen volksvertegenwoordigers. Laat ze vooroplopen in het debat over de inrichting van onze toekomstige leefomgeving. Geef ze ook de middelen om dit te doen: tijd, geld en toegang tot kennis. Wees bovendien zeer kritisch op de hausse aan regionale samenwerkingsvormen, waarmee onze gemeentelijke en provinciale volksvertegenwoordigers op grote afstand zijn gesteld. Dat zijn circuits voor bestuurders die elkaar in een houdgreep hebben. Via ‘uitruil’ van dossiers weten ze resultaten te boeken zonder dat volksvertegenwoordigers een substantiële invloed kunnen hebben. Welke (kleinere) gemeente durft zijn kont tegen de krib te keren bij de vaststelling van een regionale energiestrategie? De provincies zouden op dit regionaal niveau een veel sterkere rol moeten hebben. Zij laten het gebeuren. Illustratief is dat ze in de discussies over de ‘minister van ruimte c.a.’ al helemaal niet zichtbaar zijn of genoemd worden. Jammer want er zijn talloze voorbeelden van mooie projecten, vooral over water, natuur, landschap en cultuurhistorie in het landelijk gebied, waar provincie, gemeente en waterschap in samenwerking met maatschappelijke organisaties en betrokken bewoners en bedrijven prachtige resultaten weten te bereiken (zie bijvoorbeeld dit eerdere blog).

‘Laat een minister van Ruimte investeren in verbetering van kennis en kunde van de decentrale overheden, mede als ‘tegenmacht’ voor de markt’

Mocht er een minister van Ruimte komen, laat deze er dan vooral voor zorgen dat het huis van Thorbecke zijn werk kan doen. Laat een minister van Ruimte investeren in verbetering van kennis en kunde van de decentrale overheden, mede als ‘tegenmacht’ voor de markt. Ruimte is bij uitstek lokaal en regionaal ingekleurd en daarmee een natuurlijke verantwoordelijkheid van gemeente en provincie. Dit in tegenstelling tot taken, die vooral met persoonlijke omstandigheden te maken hebben, die gemeenten er de laatste jaren bij hebben gekregen. Taken, die een zwaar beslag leggen op gemeenten die hiervoor onvoldoende uitgerust zijn en die ten koste gaan van onder meer de gebiedsopgaven.

Ruimte bij Binnenlandse Zaken, dat verantwoordelijk is voor de bestuurlijke organisatie van ons land, is in theorie niet zo gek. Afgelopen kabinet heeft helaas niet gebracht wat nodig was. Met name als het gaat om de kwaliteit van de uitvoering van ruimtelijk beleid. Gemeenten en provincies in samenwerking met hun gebiedspartners komen slagkracht tekort op essentiële dossiers zoals woningbouw, energietransitie en de met landbouw verweven opgaven in het landelijk gebied. Die slagkracht mag hoog op de agenda in de kabinetsformatie.    

Door Henk Puylaert, adviseur ruimtelijke ontwikkeling bij H2Ruimte