Europa!

| 23 april 2014

Eind volgende maand mogen we naar de stembus om een nieuw Europees Parlement te kiezen. Naar verwachting zal de opkomst laag zijn en zal de euroscepsis in de uitslag sterker dan ooit doorklinken.

De verleiding is groot om een analyse los te laten op de vraag waarom dat gebeurt of om eens fel van leer te trekken tegen het gemakkelijke populistische gezwets van vooraanstaande politici. Dat doe ik niet. De uitspraak: Europa is er, en de EU moet, volstaat!

Ik mag dan misschien bevoorrecht zijn omdat ik regelmatig in het buitenland verblijf, in Europa en daarbuiten, en omdat ik als geograaf gewend ben de wereld in een breder perspectief te zien, en per definitie geïnteresseerd ben in wat er in de wereld om ons heen gebeurt. En mogelijk speelt mee dat ik een paar keer per jaar in de burelen van de Europese instituties rondloop. Dat zal ook wel tot een afwijkende visie leiden.

Toch ben ik telkens weer verbijsterd over het gebrek aan kennis en inzicht, zelfs bij mensen in de professionele RO-praktijk, over de zegeningen van de Europese Unie. En nog meer over het onvermogen van onze politici, de voorstanders van een Europees beleid wel te verstaan, om dat helder aan een breed publiek uit te leggen.

Europa is te belangrijk om aan de eurosceptici over te laten, las ik nog niet zo lang geleden in een van onze landelijke dagbladen uit de mond van een van die politici. In het betreffende artikel werd stilgestaan bij de afkeer die politici hebben bij onderwerpen die niet populair zijn. Nou, denk ik dan, daar hebben ze dan zelf sterk aan bijgedragen door niet goed genoeg uit te leggen waarom we in Europees verband samenwerken.

En het ligt zo voor de hand om de zegeningen van Europese samenwerking te tellen. Neem het milieubeleid. Natuurlijk kun je dat als summum van Europese bemoeizucht zien. Daar moet je dan wel bij vertellen dat we zelf de grondslag voor dat milieubeleid hebben gelegd met onze succesvolle nationale milieuplannen, met onder meer de managementmodellen en het bron- en effectbeleid, de MER’s, het denken in termen van normen.

Maar hoe had het er voorgestaan met onze leefkwaliteit als de Europese Unie niet met harde grenzen aan de toegestane vervuiling in bodem, water en lucht was gekomen. Als ze niet met de industrie- en landbouwvertegenwoordigers, de energieproducenten, de autofabrikanten om de tafel was gaan zitten om namens ons allemaal administratieve en technische innovaties door te voren ten gunste van de veiligheid en de leefkwaliteit?

Hoe was de situatie geweest in de meest waardevolle en kwetsbare natuurgebieden zonder het Natura 2000-beleid en de Europese voorlopers daarvan? Hoe had Rotterdam z’n concurrentiepositie kunnen versterken als we in Europa niet stap voor stap gezorgd hadden voor een gelijk speelveld? Had die regio zich dan tegelijkertijd als schoonste havengebied kunnen profileren en de stevige ambities kunnen etaleren op het gebied van duurzaamheid? Nog even los van de kennisnetwerken die zijn gevormd met Europese steden en regio’s om ervaringen uit te wisselen en kennis te delen op tal van dossiers. Los van de grensoverschrijdende samenwerking op vele concrete terreinen, van waterveiligheid tot hulpverlening. En om het maar even niet te hebben over die interne markt, de zegen van het zaken doen zonder nationale beperkende maatregelen, het vrije betalingsverkeer, het gemak van één munt. Niet over het grenzeloze werken en studeren. En ook niet over de uniforme regels voor telecommunicatie, productinformatie en kwaliteitsstandaarden.

Er zijn duizend-en-één verhalen te vertellen over het nut van Europese samenwerking. Waarom vertellen we die niet of willen we die misschien niet horen?

Marcel Bayer
hoofdredacteur ROm

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *