Met name doelen energietransitie, natuur en milieu zeer ambitieus
Nulmeting NOVI toont hoe groot de uitdagingen zijn

| 24 september 2020

Medio september publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de Monitor van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met 101 indicatoren is in beeld gebracht of en hoe trends en ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving ‘toe bewegen’ naar wat de NOVI beoogt. Dat levert een zeer divers beeld op. Er zijn zowel positieve als negatieve ontwikkelingen in onze leefomgeving. Het blijkt vooral een grote beleidsuitdaging om de doelen voor natuur, milieu en waterkwaliteit te halen en de energietransitie te versnellen.

Dit artikel staat in ROm 10, oktober 2020. ROm is het maandelijkse vakblad voor de fysieke leefruimte en gratis voor ambtenaren in dit domein.

De NOVI kent vier prioriteiten die in de monitor worden geanalyseerd: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Grofweg laten de indicatoren voor de eerste drie prioriteiten zowel positieve als negatieve ontwikkelingen zien, en de indicatoren voor de vierde prioriteit vooral negatieve. Over alle vier de prioriteiten laten de indicatoren op het gebied van duurzaamheid (in enge zin, zie kader 1) een minder positief beeld zien. De NOVI zelf bevat nog geen concrete maatregelen. Deze zijn opgenomen in de Uitvoeringsagenda. De indicatoren in deze monitor laten zien waar een extra beleidsinzet nodig is om de doelen van de NOVI te kunnen halen.

Klimaat, energie, duurzaamheid

De meest opvallende resultaten op een rij van de monitormeting op de vier NOVI-prioriteiten:

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Voldoende ruimte houden voor het hoofdwatersysteem is in de NOVI een belangrijk nationaal belang bij klimaatadaptatie. Hoewel de toename van het aantal woningen in het winterbed van de rivieren in absolute zin beperkt bleef, betekende dit buiten de bebouwde kom wel ruim een verdubbeling van het aantal woningen.

De NOVI bevat enkele doelen voor energietransitie. Nederland is van alle Europese landen het verst verwijderd van de Europees afgesproken doelstelling voor hernieuwbare energie. Ook het doel voor opgesteld windvermogen in 2020 wordt niet gehaald.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Het opgestelde zonnevermogen heeft zich ontwikkeld van circa 1800 megawatt in 2015 naar 6874 megawatt in 2019. Zonneparken op land dragen 13 procent bij aan het totaal aan opgesteld vermogen van zon-PV. Wel is van 2018-2019 grootschalig zon-op-veld iets sterker toegenomen (68 procent) dan grootschalig zon-op-dak (60 procent), en nog meer dan kleinschalig zon-op-dak (38 procent). De grootste hoeveelheid zonnestroom komt uit Friesland, gevolgd door Groningen, regio Eindhoven en Zeeland.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Nederland in Europa verst verwijderd van doelstelling voor hernieuwbare energie

Duurzaam economisch groeipotentieel. Het gebruik van materialen en grondstoffen in de Nederlandse economie is sinds 2000 gestegen en relatief meer grondstoffen komen uit het buitenland. Dat duidt erop dat de afhankelijkheid van andere landen is toegenomen. Een groot deel van de materialen wordt echter weer, al dan niet bewerkt, geëxporteerd. De materiaalconsumptie in Nederland zelf is met 22 procent afgenomen tussen 2000 en 2018.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

De NOVI zet in op een optimale (internationale) bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden. Agglomeratievoordelen kunnen worden behaald door korte reistijden voor het woon-werkverkeer en het zakelijk verkeer. Reistijden kunnen worden verkort door een hogere snelheid mogelijk te maken en door een kortere afstand. Nabijheid van banen en voorzieningen is in veel gevallen belangrijker voor het snel kunnen bereiken van een groot aantal bestemmingen dan de mogelijke reissnelheid. Hier kort de resultaten van de meting.

Verstedelijking

Sterke en gezonde steden en regio’s In 2019 waren er ongeveer 7,9 miljoen woningen in Nederland. In dat jaar zijn ongeveer 72.000 nieuwbouwwoningen opgeleverd; dat is een toename met 47 procent ten opzichte van 2012. De grootste relatieve toename van woningen vond plaats in gemeenten rondom de grotere steden.

De NOVI spreekt een voorkeur uit voor verstedelijking in binnenstedelijke gebieden en rond ov-locaties. Maar buiten de Randstad neemt op veel plaatsen het aantal inwoners binnen bebouwd gebied af, terwijl het buiten bebouwd gebied toeneemt.

In de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht daarentegen neemt sinds 2008 het aantal inwoners binnen bebouwd gebied het meest toe. Dit zien we vanaf 2012 ook in Noord-Brabant.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Van 2008 tot en met 2015 nam met uitzondering van Noord-Holland binnen alle provincies het aantal arbeidsplaatsen binnen bebouwd gebied af. Buiten bebouwd gebied nam het aantal arbeidsplaatsen in dezelfde periode toe. Vanaf 2016 is het aantal arbeidsplaatsen weer sterk toegenomen waarvan het grootste gedeelte (65 procent) binnen bebouwd gebied.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

De ontwikkeling van wonen en werken vindt conform de beleidsdoelen voor een aanzienlijk deel plaats binnen bestaand bebouwd gebied. Waar de ontwikkeling buiten bestaand gebied plaatsvindt, lopen de ontwikkelingen minder conform de beleidsdoelen. Het gaat relatief vaak om snelweglocaties, in plaats van de beoogde multimodaal ontsloten locaties.

Buiten de Randstad neemt aantal inwoners binnen bebouwd gebied af

De NOVI geeft aan dat het Rijk een integrale verstedelijkingsstrategie hanteert en dat verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt en dat nieuwe woon- en werklocaties zorgvuldig en op ruimte- en mobiliteitsefficiënte wijze worden ingepast. Vooralsnog geldt de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder is bij gemeenten een vast onderdeel van het planvormingsproces geworden. Dat bleek al uit de voorgaande Monitor Infrastructuur en Ruimte 2018. Waar het aandeel niet-toepassingen van plannen die nieuwe verstedelijking mogelijke maakten in 2012 72 procent bedroeg, was dit percentage 6 procent in 2018. Door de versoepeling van de ladder is de toepassing van de Ladder door gemeenten duidelijk verder vergemakkelijkt.

Luchtkwaliteit en geluidhinder blijven een aandachtspunt. Zo wordt de WHO-advieswaarde voor fijn stof (PM2,5) in 2019 alleen in Noord-Nederland en de Zuidwestelijke Delta gehaald. Na een gestage daling vanaf 2010 neemt de concentratie PM2,5 sinds 2017 weer toe. In Nederland zijn ruim 6 miljoen mensen blootgesteld aan geluidniveaus boven de WHO-advieswaarde van 53 dB (Lden) voor wegverkeer. Het aantal mensen dat in 2018 last had van ernstige geluidshinder (binnen de 48 dB(A) Lden-geluidcontour) rondom Schiphol is ongeveer 60 procent groter dan in 2004.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Landelijk gebied

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Met de sinds 1990 toegenomen oppervlakte aan natuur is ook de ruimtelijke samenhang van de natuur verbeterd. De Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en verschillende duingebieden zijn robuuste natuurgebieden als het gaat om ruimtelijke condities zoals omvang en samenhang. Maar een aanzienlijk deel van het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit gebieden die nog te klein of te versnipperd zijn om een duurzaam voortbestaan van alle soorten te garanderen.

In grote delen van de Nederlandse landnatuur zijn zowel de milieu- als ruimtelijke condities nog matig of slecht voor het duurzaam kunnen voortbestaan van soorten en ecosystemen. Uit de aanwezige vegetatie in verschillende ecosystemen in de periode 1999-2018 blijkt verder dat de milieucondities voor landnatuur gemiddeld genomen verder zijn verslechterd. Sinds 2010 nemen de ammoniakemissie door de landbouw, de stikstof- en fosfor- uit- en afspoeling vanuit landbouwgrond en de afzet van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet verder af.

Voor landschap zijn nog indicatoren in ontwikkeling, maar doordat de NOVI weinig concrete landschapsdoelen bevat kunnen er, zodra deze indicatoren gereed zijn, nog weinig uitspraken over doelbereik worden gedaan.

De algemene conclusie van de monitor is dat er nog veel werk aan de winkel is. Het is aan het kabinet om te bezien of de Uitvoeringsagenda hierop moet worden aangevuld en of het in de jaarlijkse actualiseringscyclus van de NOVI aanvullende keuzes gaat maken. Het PBL blijft deze keuzes en de effecten die ze hebben op de kwaliteit van fysieke leefomgeving volgen. De monitor van de NOVI verschijnt elke twee jaar.

Rienk Kuiper, onderzoeker bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Openingsbeeld: Tim Puts