Omgevingsvisie helpt bij klimaatbestendig maken Beekdallandschappen

| 15 april 2022

In de Brabantse beekdallandschappen komen de klimaatopgaven samen: er is vaker wateroverlast, maar ook eerder droogte. Tegelijkertijd liggen daar kansen voor klimaatadaptatie. Met de integrale aanpak die hoort bij het nieuwe instrumentarium van de Omgevingswet werken alle partijen in de Regio Noordoost-Brabant (RNOB) samen om deze gebieden voor te bereiden op een klimaatrobuuste toekomst. Ze krijgen daarbij hulp van Wageningen University & Research (WUR).

Dit artikel staat in ROm april 2022. ROm is het vakmagazine voor de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren en bestuurders-politici in dat beleidsdomein. Meld u hier aan voor een thuisabonnement voor het maandelijkse papieren of digitale magazine.

 ‘We wisten het meteen’, zegt beleidsondernemer Peter van der Haar van de Brabantse gemeente Meierijstad. ‘De omgevingsvisie is hét moment om anders naar het landschap te gaan kijken.’ In een omgevingsvisie staat wat de kwaliteit is van de fysieke omgeving en hoe veilig en gezond de leefomgeving is. Ook staat erin wat de hoofdlijnen zijn van de voorgenomen ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van het grondgebied.

‘Van vroeger uit zijn we gewend om het landschap sectoraal te benaderen: vanuit groen, water of wegen. We hebben nu behoefte aan een integrale aanpak. Want klimaatadaptatie vraagt een verandering in veel verschillende sectoren tegelijk en oplossingen hebben betrekking op een groter deel van het landschap. En het vraagt om een andere manier van werken dan we gewend zijn.’ De beekdallandschappen zijn een mooie testcase voor die integrale benadering, vindt Van der Haar.

Landschapsvisie

Klimaatadviseur Twan Tiebosch sloot aan als projectleider. Hij geeft aan hoe met behulp van een landschapsbiograaf inzicht is gekregen in hoe het huidige landschap is ontstaan en wat dat leert voor de actuele klimaatadaptatie. ‘We keken daarmee eerst naar de geschiedenis. Daarna wilden we kijken wat dat voor ons betekent de komende decennia.’ In de tussentijd had Wageningen University & Research de visie Nederland in 2120 uitgebracht. Daarin is het natuurlijke systeem als uitgangspunt genomen voor de toekomstige inrichting van Nederland.

‘Dat sprak ons enorm aan’, aldus Tiebosch. ‘We hebben de WUR gevraagd om een doorvertaling van deze visie te maken voor de Regio Noordoost-Brabant. We zien nu namelijk dat er in onze regio wel wordt gewerkt aan klimaatadaptatie, maar dat dat vooral reactief gebeurt en dat er alleen naar de korte termijn wordt gekeken. Er zijn echter structurele keuzes nodig, en we hebben behoefte aan een samenhangend ruimtelijk perspectief dat gebaseerd is op de natuurlijke ondergrond. De WUR kan ons daarbij helpen. Daarbij gaat het er niet om dat we ingrijpen in een systeem omdat we dat allemaal zo leuk vinden, maar omdat we als maatschappij geen risico’s willen nemen die groter zijn dan we kunnen dragen.’

‘We hebben behoefte aan een samenhangend ruimtelijk perspectief dat gebaseerd is op de natuurlijke ondergrond’


‘Als voorbereiding op deze perspectieven hebben we een kenschets gemaakt van de regio met haar karakteristieke beeksystemen: de Aa, Raam en Dommel, en bijbehorende beek(dal)landschappen’, zegt projectleider Marjolein Sterk. Samen met landschapsarchitect Bertram de Rooij van de WUR en collega-onderzoekers schreef ze het rapport Klimaatrobuuste beek(dal)landschappen Noordoost Brabant: in perspectief 2050. Daarin worden drie verhaallijnen geschetst voor een klimaatbestendig beek(dal)landschap in Noordoost-Brabant in 2050. ‘De belangrijkste conclusie is dat hét beekdal of hét beeklandschap niet bestaat’, zegt Sterk. ‘De principes om te komen tot klimaatbestendige beeklandschappen en watersystemen zijn uiteraard op elk beekdal of beeklandschap van toepassing, maar de daadwerkelijke uitwerking en vorm is sterk afhankelijk van de lokale situatie, karakteristiek en dynamiek.’

Kenschets Noordoost Brabant: hét beekdal of hét beeklandschap bestaat niet! Beeld WUR

Perspectieven

De onderzoekers werkten vervolgens drie perspectieven uit op basis van feiten en gesprekken met professionals die kennis hebben van het landschap in het noordoosten van Noord-Brabant, zowel boven de grond als onder de grond. ‘Dat leverde interessante informatie op’, zegt De Rooij. Hij geeft aan wat bij die perspectieven de gebruikte vijf leidende ontwerpprincipes zijn:

  1. water in balans;
  2. vasthouden en infiltreren op de hogere gebieden;
  3. lagere gebieden structureel stuwend effect;
  4. ruimte in oppervlakte, ruimte in de bodem en ruimte in de tijd om extremen op te vangen;
  5. waterkwaliteit op orde voor gebruik.

‘Bij het opstellen van deze principes was ons uitgangspunt: iedereen moet deze principes kunnen snappen en kunnen vertalen naar hun eigen wereld’, aldus onderzoeker De Rooij. ‘We proberen in te spelen op de intrinsieke motivatie: iedereen wil een gezonde voedingsbodem, een solide fundament. Dat is de basis, ongeacht of je een sociale of economische opgave hebt. We hebbende principes niet tot in detail uitgewerkt, maar ze geven wel inspiratie en richting. Het is een mooie methode om verdere stappen te maken.’

De drie perspectieven die WUR schetste, variëren tussen minder en meer ingrijpen in het bestaande landschap. Bij perspectief Beek(dal)landschappen in verandering staat de huidige aanpak centraal, met behoud van het huidige landschap, landgebruiksvormen en kwaliteiten. Er zijn veel initiatieven, maar er worden geen fundamentele keuzes gemaakt.

Bij Beek(dal)landschappen inclusief is natuurinclusief en circulair de nieuwe norm. Centraal staan kleinschaligheid, vervlechting en diversiteit van functies. In Beek(dal)landschappen van formaat tot slot zijn fundamentele keuzes gemaakt voor grootschalige oplossingen en systeemveranderingen. De beekdalen en de hogere dekzandruggen voeden het regionale watersysteem. De landbouw heeft circulair ingerichte landbouwsystemen met hightech oplossingen en nieuwe teelten.

 ‘Ook deze perspectieven hebben we niet tot in detail uitgewerkt’, legt Sterk uit. ‘We willen niet voorschrijven hoe een landschap moet worden ingericht. We beschrijven welke opties er zijn en welke gevolgen die verschillende opties hebben. We schetsen hier het jaartal 2050. Daar hebben we bewust voor gekozen: het is niet te dichtbij, maar ook niet te ver in de toekomst.’

Fragment van een van de drie geschetste perspectieven: Beek(dal)landschappen van formaat: ruimte geven, beeld WUR

Verbinden

Met het rapport van de WUR op zak, kon Peter van der Haar terugtellen van 2050 naar 2021 en bepalen: wat moet er dan nú gebeuren in ons beeklandschap? Hij en zijn collega’s spraken daarvoor met verschillende grondgebruikers, zoals boeren, terreinbeherende organisaties en waterschappen. ‘Nu zijn wij als gemeenten aan zet. Want het gaat met de nieuwe Omgevingswet uiteindelijk over het bestemmen van vierkante meters. Juist daarom zijn de principes en de perspectieven uit het rapport van de WUR interessant.’ De kunst is om die goed te vertalen in het landschap, zegt hij. Daarbij gaat het erom: de juiste criteria formuleren en deze op een goede manier mee laten wegen.

‘We willen namelijk allemaal veilig en gezond wonen. Om dat ook in de toekomst te blijven doen, moeten we af van het beheersen van het landschap. Doen wat we willen op de plek waar we dat willen, is achterhaald’, volgens Van der Haar. Met de watersnood van Zuid-Limburg in de zomer van 2021 in het achterhoofd, worden beleidsmakers juist uitgedaagd stappen te maken naar het beheren van het landschap. ‘Om er weer onderdeel van te worden. We moeten goed kijken naar de ondergrond en onszelf afvragen: welke bestemming past hier het best?’

‘Je hebt het buitengebied nodig om klimaateffecten in de stad te verminderen’


Tiebosch vult aan: ‘Het rapport bleek echt in een behoefte te voorzien. Er is vaak en veel aandacht voor klimaatadaptatie in stedelijk gebied. Terwijl het grootste deel van noordoost-Noord-Brabant landelijk gebied is. En dat is van oudsher het domein van de waterschappen. Maar die hebben niet het ruimtelijk instrumentarium. Gemeenten en waterschappen zullen dus goed moeten samenwerken, in de hele regio. En daar helpt dit rapport bij. Want je hebt het buitengebied nodig om klimaateffecten in de stad te verminderen. Zo geldt dat ook voor bovenstrooms en benedenstrooms gebied: al het water dat bovenstrooms wordt vastgehouden, daar hebben de inwoners benedenstrooms profijt van.’

‘Tot nu toe is ons hele watersysteem met kanalen en sloten gericht op het afvoeren van water. We moeten meer toe naar een systeem waarin we water vasthouden. Zodat we in periodes van droogte niet in de problemen komen. Daarom is er ook een Bestuursconvenant Grondwater in voorbereiding waarin we dit soort afspraken maken. We moeten dus ook over de gemeentegrenzen heen goed samenwerken om deze klimaatopgaves aan te pakken.’

Kaart behorend bij perspectief 3. Beeld WUR

Klimaatonderlegger

‘Als gemeente hebben we een Klimaatonderlegger gemaakt: een grote kaart van onze gemeente – van één bij drie meter – waarop met kleuren te zien is hoe de ondergrond in elkaar zit. Waar is sprake van droogte? Waar is hittestress? Wat zijn plekken die grotere kans hebben op overstroming? En welke kansen biedt het ons omringende landschap? Dit helpt ons bij het besluiten nemen’, legt Van der Haar uit. ‘Past het project binnen de omgevingsvisie? Is de ondergrond geschikt hiervoor? Voor woningbouw betekent dat bijvoorbeeld concreet: we gaan niet op elke plek bouwen. We kijken eerst naar de kwaliteiten en de condities van de ondergrond en het landschap daar. Ga maar na: als je woningen bouwt in de uiterwaarden van de Aa is de kans groot dat toekomstige bewoners te maken krijgen met wateroverlast. Dus daar bouwen lijkt nu misschien interessant, maar is op de lange termijn geen goed idee.’

Marlie van Santvoort, medewerker bij Waterschap Aa en Maas, nam de projectleidersrol van Tiebosch over. ‘We gaan nu langs bij alle gemeenten in noordoost-Noord-Brabant die onderdeel zijn van een beeklandschap. Tijdens werksessies zitten we aan tafel met medewerkers van allerlei domeinen, onder andere ruimtelijke ordening, woningbouw, sociaal domein, economische zaken en landbouw. We bespreken waar zij staan met de omgevingsvisie, wat de dromen zijn van de gemeente en of die realistisch zijn. Hierbij gebruiken we het rapport van de WUR, de kaart van de gemeente en de Klimaatonderlegger, als een gemeente die heeft. Als waterschap proberen we gemeenten te ondersteunen, maar uiteindelijk gaan zij zelf aan de slag.’ Van der Haar: ‘Dat zal niet vanzelf gaan, we komen ongetwijfeld hobbels tegen. Maar mensen komen in beweging en dat is goed.’