Onze kruideniersmentaliteit belemmert gemeenschappelijk wonen

| 23 september 2021

Bij de slager en de groenteboer weten we het allang: veel massa voor weinig geld betekent dat je een minder lekkere biefstuk of waterige tomaten krijgt. Zelfs bij de bakker kiezen we liever voor een duurder maar vers gemaakt taartje dan de voorgebakken fabrieksvarianten. In de woningbouw blijven we echter zweren bij veel en goedkoop bouwen. Alsof daarmee alle problemen op de woningmarkt worden opgelost.

Op een recente discussiemiddag van de TU Delft over collaboratieve woonvormen – een onuitsprekelijk synoniem voor gemeenschappelijk wonen – wezen de aanwezigen onze focus op ‘veel en goedkoop’ juist aan als dé grote hindernis voor vernieuwing. Uit onderzoek blijkt zeker 5 procent van de Nederlanders er wel wat voor te voelen om voorzieningen in en rond het huis met elkaar te delen. Denk aan een gezamenlijke logeerkamer, daktuin of ontmoetingsruimte tot gedeelde wasmachines en auto’s aan toe. Maar op enkele sympathieke, kleinschalige initiatieven na komen woonprojecten met gemeenschappelijke voorzieningen voor een bredere doelgroep nauwelijks van de grond.

Peter Boelhouwer, die naast zijn hoogleraarschap aan de TU Delft ook bij de plannen voor ‘knarrenhofjes’ betrokken blijkt te zijn, wees met een beschuldigende vinger naar gemeenten. Die laten kansen op vernieuwende woonvormen liggen door er in hun beleidsnota’s met geen woord over te reppen. Een ambtenaar die een ontwikkelaar of burgerinitiatief met een afwijkend woonconcept wil helpen, voelt zich daardoor niet gedekt om mee te denken. Hij riep bestuurders op om zich hard te maken voor projecten met gemeenschappelijke voorzieningen door deze in anterieure ontwikkelovereenkomsten als eis op te nemen.

Residuele grondprijsberekening is ‘killing’ voor innovatieve woonconcepten


Annemarie Jol, adjunct-directeur van ontwikkelaar AM, sloot zich bij Boelhouwers pleidooi aan. AM’s Stadsveteranen-concept voor fitte senioren die voorzieningen met elkaar willen delen, valt regelmatig in tenders buiten de boot, omdat de gemeente ondanks mooie woorden uiteindelijk kiest voor het hoogst mogelijke bod. De residuele grondprijsberekening ontpopt zich daarbij als genadeloze ‘killer’ van bijzondere initiatieven. Extra voorzieningen die de stichtingskosten van projecten opdrijven, bedreigen in deze systematiek de potentiële grondopbrengsten van gemeenten. Dat kan alleen veranderen als lokale bestuurders zich hard maken voor kwaliteit en hun eigen kavels tegen vaste prijzen voor de beste plannen reserveren. In Midden-Europese steden als Zürich, München of Wenen is dat al jaren de praktijk met vernieuwende en buitengewoon duurzame woongebouwen als resultaat. Wie pakt de handschoen in Nederland op?

Door Jaco Boer, publicist