Rijksadviseur: ‘Hebben we wel een miljoen woningen nodig?’

| 23 september 2021

Rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving Wouter Veldhuis betwijfelt of er wel één miljoen woningen moeten worden gebouwd en noemt de renovatie-uitdaging van zeven miljoen woningen groter. Hij wijst de constateringen van de bouwlobby dat we een derde deel van de benodigde betaalbare woningen in de groene ruimtes moeten bouwen pertinent af. ‘Eengezinswoningen in het groen, daar hebben we er genoeg van’, zegt hij. ‘Bouw meer voor senioren en starters, dan komt de noodzakelijke verhuisbeweging op gang.’

Door Ronald Bruins. Dit is een ingekorte versie van het artikel in NGinfra 3 en ROm 10, oktober 2021. NGinfra is het kwartaalmagazine van NGinfra. ROm is het maandelijkse vakblad voor de fysieke leefomgeving en gratis voor ambtenaren. Neem een thuisabonnement

Van links tot rechts. Alle politieke partijen hadden het in hun programma staan: er moeten één miljoen woningen komen. Sommigen noemden daar al een tijdstip bij: uiterlijk 2030. Veldhuis is verbaasd: ‘Dat getal is niet gebaseerd op een goed onderbouwd onderzoek. Dus of het er nu één miljoen, driehonderdduizend of zeshonderdduizend moeten zijn, dat weten we eigenlijk niet. Ik zie het eerder als een oproep: van meerdere kanten is er de behoefte de urgentie te duiden. Met die urgentie ben ik het eens.

Maar ook met het jaartal 2030 kan ik weinig. Allereerst omdat je woningen voor minimaal honderd jaar neerzet. Je moet dus verder kijken dan tien jaar vooruit. Ook omdat de planontwikkeling en het bouwproces al gauw tien tot twintig jaar in beslag nemen. In principe praten we dus over de bouwproductie die voorziet in de woningbehoefte tussen 2030 en 2040. Mijn stelling is dat we beter moeten nadenken – een visie moeten hebben – op de woningbouw voor de komende honderd jaar. Waar hebben we, gezien de demografische ontwikkeling en de bestaande bouw, behoefte aan?’

Wouter Veldhuis: ‘De twee groepen die de komende decennia vooral behoefte hebben aan nieuwe woonruimte zijn senioren en starters.’

Verkeerd uitgangspunt

De Rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving noemt het een interessante alliantie in de politiek. ‘Links ziet mogelijkheden om voor de minder kapitaalkrachtige bevolkingsgroepen te bouwen, rechts ziet mogelijkheden om de bouwindustrie en het bedrijfsleven aan het werk te hebben.’ Daarbij kwamen onlangs de bespiegelingen van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). In het rapport Ruimtelijke ordening en bouwlocaties constateert het instituut dat tot 2030 zeshonderdduizend woningen in de plancapaciteitspijplijn zitten in de zeven provincies met de hoogste druk op de woningmarkt. Het gros van die woningen wordt binnenstedelijk gebouwd. Locaties voor de resterende drie- tot vierhonderdduizend te bouwen betaalbare woningen staan nog niet vast maar zijn volgens de bouwers te vinden in de groene ruimtes rondom de steden, waar ook goede mogelijkheden liggen om de woningbouw mooi en verantwoord te integreren in de omgeving.

Veldhuis benadrukt dat één miljoen woningen bouwen voor 2030 sowieso onhaalbaar is. ‘Dat heeft het verleden bewezen. Ongeacht of de bouwlocatie zich in het weiland of de stad bevindt, krijgt de eerste huurder of koper de sleutel van woningen waar nu de planvorming voor start pas omstreeks 2030 overhandigd. Of een locatie snel of langzaam is, hangt niet af van weiland of stad, maar van procedures en welwillende medewerking van stad en regio.’ Het EIB vertrekt vanuit een verkeerd startpunt vindt de Rijksbouwmeester: de woningbehoefte die op dit moment leeft, met ijkdatum 2020. Hij kijkt liever wat nodig is in de toekomst.

‘Statistisch gezien hebben we ruim voldoende eengezinswoningen in Nederland’


‘We hebben geen eengezinswoningen in buitenwijken nodig. Van onze voorraad bestaat al voor 65 procent uit een eengezinswoning in een buitenwijk. Slechts een derde van de huishoudens bestaat uit een gezin. Een groot deel van onze huidige woningvoorraad wordt bewoond door eenpersoonshuishoudens en dat zal de komende decennia steeds meer worden. Dus statistisch gezien hebben we ruim voldoende eengezinswoningen in Nederland. Eigenlijk is het een verdelingsvraagstuk. In Nederland kennen we geen instrumenten voor herverdeling en je kunt bewoners niet hun huis uit jagen. En dat hoeft ook niet.’

Andere levensfase

Veldhuis is ervan overtuigd dat het probleem zich vanzelf oplost. ‘Door de demografie. Nederlanders komen in een andere levensfase. Senioren verlaten de komende tien tot vijftien jaar de gezinswoningen, voornamelijk in wijken die in de jaren zeventig en tachtig zijn gebouwd. Daardoor komen gezinswoningen vrij. De twee groepen die de komende decennia vooral behoefte hebben aan nieuwe woonruimte zijn senioren en starters. Beiden vinden dat woningen best kleiner mogen zijn als ze maar op plaatsen met voorzieningen staan. Zodanig dat de stad je huiskamer is, met huisarts, theater, universiteit, restaurant en winkel om de hoek. Het EIB wil standaardwoningen met beukmaat 5,40 meter bouwen in weilanden, maar daar zitten die groepen helemaal niet op te wachten. Ze zijn stedelijk georiënteerd. Starters willen in een interactiemilieu zitten, zodat ze zich kunnen ontwikkelen. Tegen de tijd dat ze gezinsvormers worden, gaan ze wel weer naar een eengezinswoning, maar dat duurt nog lang genoeg. Tegen die tijd komen woningen in de buitenwijken van Nieuwegein, Almere en Zoetermeer weer vrij.’

Naar het idee van Veldhuis wil het EIB ‘de bouwindustrie van de vorige eeuw’ een impuls geven. Belangrijker zijn zeven miljoen woningen die we moeten opknappen en renoveren, stelt hij. ‘Dat is een enorme bouwstroom die doorgaat tot 2050. Daar kunnen bouwers veel mooiere marges op maken als ze weten te komen tot gestandaardiseerd maatwerk. Hoe dat moet, is aan de bouwers zelf. Daarvoor moeten ze innoveren. Ik ben ervan overtuigd dat daar het meeste werk zit. Ik haal die overtuiging ook uit de kredietcrisis toen de nieuwbouw volledig stilviel. Grote bouwbedrijven vingen grote klappen op, productielijnen werden gesloten en zijn sindsdien niet meer geopend. Terwijl kleine aannemers wel insprongen op de behoefte aan renoveren en goed de crisis doorkwamen. In steden en dorpen is nu nog zoveel te doen dat daar het verdienpotentieel zit.’

Casco voor Nederland

Veldhuis zegt dat het College van Rijksadviseurs een visie mist op hoe Nederland moet worden. Er ligt wel een Nationale Omgevingsvisie, maar die laat nog heel veel open. ‘Met de energiehoofdstructuur veranderen we bijvoorbeeld het casco van Nederland, terwijl we eigenlijk nog geen idee hebben hoe Nederland eruit moet komen te zien. Ik zie die visie wel bij water. Het Deltaprogramma is gebaseerd op een visie op de lange termijn, net als het programma Ruimte voor de Rivier. Daar kunnen we veel van leren. Met energienetwerken reageren we nog ad hoc op energieproductielocaties en grote verbruikers, zoals een datacenter. Dat datacenter is er gekomen omdat regionale of lokale bestuurders dat graag wilden of de grond goedkoop was. Maar we moeten echt andersom beginnen met het denken. We kunnen de energiehoofdstructuur inzetten om vanuit de Rijksoverheid de ruimte beter te ordenen, ook in internationaal perspectief. Het kan sturend zijn voor de keuzes waar wij grote windmolenparken realiseren en clusters van datacenters toestaan.’

‘We kunnen de energiehoofdstructuur inzetten om vanuit de Rijksoverheid de ruimte beter te ordenen’


Veldhuis zegt vertrouwen te hebben in de regio. ‘Daar lossen ze al heel veel op. Toch zie je vanuit de regio’s hulpvragen aan het adres van het Rijk. ‘We willen keuzes om regionaal stappen te kunnen zetten’, roepen ze eigenlijk. Om een voorbeeld te geven. Noord-, Zuid-, Oost- en West-Nederland komen allemaal naar het Rijk met plannen voor een hsl. Het kan niet zo zijn dat er vier hogesnelheidslijnen naar Duitsland gaan vanuit Nederland. We moeten dat logisch zien te bundelen en daarbij het gesprek aangaan met onze Duitse buren. Wat is het slimste aan beide zijden?’

Het Rijk moet hier dus echt meer regie nemen, vindt de Rijksadviseur. Of er een nieuw ministerie moet komen, laat hij over aan de bestuurskundigen. ‘Het is vooral belangrijk dat er een minister komt die op dit gebied verantwoordelijk is en middelen ter beschikking heeft om partijen bij elkaar te krijgen in ruimtelijke projecten. En ja, regie is gewenst, maar altijd in overleg met regio’s en steden. Op een aantal onderdelen is het Rijk systeemverantwoordelijk. Denk aan de nationale infrastructuur. Daar moet het Rijk ook de regie nemen om bovenregionale dossieropgaven te trekken. Maar op het gebied van de woningbouw kan het Rijk volstaan met het sturen op hoofdlijnen en vooral middelen en instrumenten beschikbaar stellen aan de regionale en lokale overheden om de uitwerking en realisatie mogelijk te maken. De regio’s hebben ieder hun eigen aanbod. Daar ligt het niet aan. Het wordt nu hoog tijd dat het Rijk die plannen logisch aan elkaar knoopt.’