Top vijf verkiezingsthema’s in de fysieke leefruimte

| 28 januari 2022

Er ligt nogal wat op het bordje van de gemeenten sinds het Rijk zich heeft teruggetrokken uit het ruimtelijke beleid. De woningmarkt, bereikbaarheid, de energietransitie, ruimtelijke adaptatie en leefbaarheid; op al die terreinen speelt de gemeente een sleutelrol. Daarbij knelt het aan alle kanten maar menskracht, middelen en doorzettingsmacht zijn de grootste beperkingen. We nemen de top-vijf verkiezingsthema’s in de fysieke leefruimte door in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen.

Door Marcel Bayer. In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart besteedt ROm aandacht aan de voornaamste uitdagingen in de fysieke leefruimte. Dit artikel staat in ROm februari. Vakblad ROm is gratis voor ambtenaren in het domein van de fysieke leefomgeving. Neem een thuisabonnement.

De redactie van ROm-Stadszaken organiseert ook een aantal online verkiezingsdebatten. Het eerste op dinsdag 8 februari 2022, over de woonopgave. Deelname is gratis. U kunt zich hier aanmelden.

1 Woningmarkt en woningbouw

In vrijwel alle gemeenten zal dit hoofdpijndossier bij de verkiezingen bovenaan het lijstje urgente thema’s staan. De woningnood voor starters, middeninkomens, specifieke doelgroepen als statushouders en arbeidsmigranten is hét verkiezingsthema.

Er zijn de afgelopen jaren door zowel Rijk als provincies en regio’s stevige impulsen gegeven. Zo is er vanuit de Rijksregeling Woningbouwimpuls inmiddels financiering toegezegd voor zo’n 140.000 woningen, waarvan twee derde binnen het betaalbare segment, en in het programma voor de veertien grootschalige verstedelijkingsgebieden is ook al aardig wat financiering afgesproken tussen de verschillende overheden. Maar het duurt nog veel te lang voordat de woningen er daadwerkelijk zijn.

Sommige gemeenten weten wel van aanpakken, zowel wat betreft de planvorming en het versnellen van de vergunningprocedures voor de bouw, als het benutten van de rijksregeling. Zo lopen in Harderwijk twee grotere bouwprojecten: de uitbreiding van de wijk Drielanden in het gebied Harderweide, en fase 3 van het Waterfront tussen de Vissershaven en de N302. Voor het eerstgenoemde project kreeg de gemeente in november 2020 al 8,3 miljoen euro uit de eerste tranche van de Woningbouwimpuls toegekend. Begin 2021 kwam daar nog eens 7 miljoen euro uit de tweede tranche bij voor het waterfront. Bij elkaar gaat het om ruim 1.500 betaalbare woningen waar grote behoefte aan is in Harderwijk, ook voor de regio.

Naast Harderwijk zetten ook de gemeenten Zwolle, Kampen, Enschede, Ede-Wageningen en Breda stevige stappen met de woningbouwproductie.

De stad Groningen heeft als enige gemeente twee van de 14 grootschalige verstedelijkingsgebieden, Suikerzijde, op het terrein van de oude suikerfabriek, en Stadshavens, samen goed voor 7.400 nieuwe woningen. Groningen kreeg tot nu toe ook twee keer bijdragen uit de Woningbouwimpuls toegekend, voor zo’n 4.000 woningen totaal. Maar de voorbereidingen voor de woningbouw op Suikerzijde is afgelopen jaar vertraagd door procedures van natuur- en bewonersorganisaties, die een deel van de vloeivelden van de suikerfabriek willen behouden voor de natuur.

Complexe grondverwerving bemoeilijkt op veel plekken het rondkrijgen van de business-cases voor gebiedsontwikkeling, naast de overheidswens om vooral betaalbare huur- en koopwoningen te bouwen en niet te vergeten de stapeling van andere ambities en de striktere regelgeving. Afgelopen jaar schreven we in ROm onder meer over de moeite die gemeenten in Noord-Holland Noord hebben om aan de vraag naar woningen te voldoen, mede door het provinciale beleid van bijzondere landschappen. In Zuid-Holland lagen de gemeente Katwijk, het provinciebestuur en ontwikkelaar BPD met het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) overhoop om de woningbouwlocatie Valkenhorst van de grond te krijgen. Stikstof en de verkeersontsluiting zijn de grootste struikelblokken, maar de onderhandelingen over de grond tussen BPD en het RVB liepen ook allesbehalve gladjes.

Met vereende krachten, door het inzetten van versnellingsteams, het aannemen van extra mensen, integraal werken met de Woondeals, proberen gemeenten in regionaal verband samen met provincies en Rijk de woningbouwproductie op gang te brengen. Toch blijft de praktijk weerbarstig, niet alleen door hoge ambities, ook door de vele belangen die spelen. En niet te vergeten de beperkte middelen, omdat er ook nog andere dossiers om aandacht vragen.

Woningbouw in Leidsche Rijn Centrum. De laatste fasen van deze VINEX-locatie naderen hun voltooiing. Beeld Marcel Bayer

2 Mobiliteit en bereikbaarheid

Verder terugdringen van doorgaand autoverkeer en stimuleren van – in volgorde van belangrijkheid – fietsen, lopen en OV; dat is voor de meeste gemeenten de leidende gedachte. Het is al een tijdje aan de gang, maar komende jaren zal er in veel steden een doorbraak komen: langzaam verkeer van fietsers en voetgangers krijgt voorrang boven gemotoriseerd verkeer. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht lopen daarbij voorop. Daar wil het gemeentebestuur de maximale snelheid op bijna alle stadswegen zo snel mogelijk terugbrengen tot maximaal 30 kilometer per uur. Ze schreven dat eind vorig jaar in een brief aan de Tweede Kamer.

Opmerkelijk is dat verkeersveiligheid en niet leefbaarheid daarbij het voornaamste argument is. ‘Circa 80 procent van alle ongelukken vindt plaats op wegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur’, constateert de Amsterdamse wethouder Egbert de Vries (PvdA, Verkeer en Vervoer) namens de vier gemeenten in de brief.

Het zal in genoemde steden in de aanloop naar de verkiezingen tot verhitte debatten leiden, want niet elke stadsbewoner en zeker niet ondernemers zijn onverdeeld gelukkig met dit plan.

Overigens willen de bestuurders van de vier grote steden de licht elektrische voertuigen (LEV’s) als speed pedelecs en e-bikes zoveel mogelijk naar de rijbaan ‘verhuizen’. Eerder gingen de snorfietsen al in een aantal gemeenten naar de rijbaan. Het is een trend in het beleid, die middelgrote en kleine steden en wellicht ook landelijke kernen zal bereiken.

De beleidsambitie om een 10- of 15 minutenstad te zijn in het ruimtelijke beleid, zoals Utrecht dit jaar aangaf in de strategie voor 2040, zal deze trend versterken. Alle dagelijkse voorzieningen op loop- en fietsafstand. Meer steden zullen volgen. De auto heeft z’n langste tijd gehad in de stedelijke omgeving. Parkeerplaatsen worden steeds vaker opgeruimd of peperduur. De fiets wordt de ‘nieuwe auto’ qua ruimtegebruik en overlast.

Het OV krijgt de komende jaren in meerdere steden een stevige impuls, verbonden met de binnenstedelijke woningbouwprogramma’s. MaaS, OV op maat, is voor de minder goed bereikbare plekken in stad en land de oplossing, mits het overal betaalbaar van de grond komt.

De fiets is zo langzamerhand ‘koning’ in onze steden. Maar niet iedereen is er blij mee dat er vervolgens ook een asfalttapijt voor fietsroutes wordt uitgerold. Protesten aan de Utrechtse Weerdsingel Oostzijde. Beeld Marcel Bayer

3 Energietransitie

Hier zijn gemeenten wel sterk afhankelijk van nationale regelgeving, sturing en middelen. Als de wet- en regelgeving met de nieuwe Energiewet is aangepast, de miljarden euro’s van het kabinet beschikbaar komen, is het een kwestie van goed communiceren en uitvoeren. 

Ingewikkelder is het pure ruimtelijke dossier over de duurzame stroomvoorziening. De komende jaren komt het aan op het inpassen van de geplande capaciteit aan duurzame energie. Iedereen wil wel duurzame stroom, maar weinigen willen windmolens in het blikveld. In menige gemeente raken de gemoederen op dit dossier oververhit.

Zonnepanelen leken een onschuldiger en dus haalbaarder oplossing, totdat ook hier het grote geld zich op de rijk gevulde subsidiepot wierp en initiatiefnemers waar mogelijk gemeenten overvielen met plannen voor mega-zonneparken. Ook dat onderwerp staat inmiddels in vrijwel elk politiek partijprogramma. Onderliggend maar des te urgenter is de beperkte capaciteit op het stroomnet, waar gemeenten helemaal geen grip op hebben maar wat tot grote belemmeringen kan leiden bij de uitvoering van de energietransitie, de woningbouw en het economisch beleid.

4 Klimaatadaptatie

Met uitzondering van de gemeenten in het Limburgse heuvelland, die zwaar zijn getroffen door de stortregens en overstromingen vorig jaar zomer, zal klimaatadaptatie nergens een verkiezingsonderwerp zijn. Wat niet wil zeggen dat dit voor gemeenten geen relevant dossier is. Er ligt een stevige klus in het verschiet, om in navolging van de stresstesten en risicodialogen – waar die tijdens deze coronajaren tenminste serieus zijn gevoerd – te komen met een plan en te gaan aanpakken.

Structureel planologisch ingrijpen in het kader van de klimaatverandering heeft in gemeentelijke verkiezingsprogramma’s nog nauwelijks prioriteit. Het is waar deltacommissaris Peter Glas begin december op wees in een briefadvies aan de ministeries van IenW en BZK. Alle overheden moeten bij de woningbouwopgave meer rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering, luidde zijn boodschap. De overgrote meerderheid van de miljoen nieuw te bouwen woningen komt in gebieden die kwetsbaar zijn bij klimaatverandering. De deltacommissaris spoort beide ministeries aan om na te denken over het verschuiven van investeringen in woningbouw, infrastructuur en voorzieningen in veiliger gebieden. Hij roept lokale overheden gericht op om werk te maken van klimaatrobuuste gebiedsontwikkeling, herbestemming en renovatie.

In Venlo bijvoorbeeld maakt de politiek zich daar nog niet zo druk over, horen we van gemeenteraadsleden. De druk op de woningmarkt en de behoefte aan woningen zijn zo groot dat zelfs na het hoge water afgelopen zomer de plannen voor Kazerne Kwartier niet ter discussie staan.

De gemeenteraad van Zwolle nam eind november het stedenbouwkundig ontwikkelplan Zwarte Waterzone aan. 280 woningen zullen verrijzen in de uiterwaarden van het Zwarte Water aan de rand van Holtenbroek. Er ging veel debat aan vooraf. De meerderheid in de gemeenteraad ziet hier kansen om de huidige ‘rommelzone’ te veranderen in een woon- en recreatiegebied dat juist rekening houdt met klimaatverandering. De voorstanders van de planontwikkeling voor een Vijfde Dorp in de Zuidplaspolder, ten westen van Gouda, zeggen hetzelfde.

5 Leefklimaat en stikstof

Verder moeten lokale overheden hun openbare ruimte vergroenen, om zo meer ruimte te geven aan water bij hevige regenval. Het Bouwstenenrapport, dat de deltacommissaris in zijn briefadvies aanhaalt, adviseert om daar vijf tot tien procent meer ruimte voor vrij te maken.  

Met de vergroening gaat het de goede kant op, en als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving is dat in de meeste gemeenten een verkiezingsitem. Groen is een constante gebleken in de verkiezingsprogramma’s.

Opmerkelijk is dat het thema groen de afgelopen jaren vaak is verbonden met stedelijke verdichting. Groen mag daarbij niet wijken voor meer bebouwing, dus ligt juist hoogbouw voor de hand. Groene daken en gevels moeten daar aan bijdragen. In de stedenbouwkundige plannen voor verdichting van Eindhoven tot Groningen en van Den Haag tot Enschede zijn straten en pleinen bedacht als groene oases waar jong en oud graag vertoeft. De gemeente stimuleert verder de vergroening van de versteende wijken, onder meer met het ondersteunen van burgerinitiatieven voor meer groen en zelfbeheer daarvan. Het succes van de campagnes door de Stichting Steenbreek spreekt wat dat betreft boekdelen; inmiddels zijn 160 gemeenten, 9 provincies en 7 waterschappen erbij aangesloten.  

Stikstof is voor gemeenten in het fysieke leefruimtedomein het meest ongrijpbare dossier, omdat zij de gevolgen van de strenge stikstofregels direct voelen, maar er relatief weinig aan kunnen doen. Met de aanscherping van het Aerius- rekenmodel, dat het kabinet half januari presenteerde na de uitspraak van de hoogste bestuursrechter een jaar eerder, moet een veel groter gebied bij wegen worden meegenomen in de berekeningen van de stikstofdepositie. Dat betekent in veel gevallen dat gemeenten bij welke gebiedsontwikkeling dan ook de extra stikstofuitstoot die daar het gevolg van is elders zal moeten compenseren.

En dan is er natuurlijk nog het herstel van de biodiversiteit in natuurgebieden zelf, waar met name gemeenten mee te maken hebben die een of meerdere van de Natura 2000-gebieden binnen hun grenzen hebben.

Het uit de markt halen van de grote piekbelasters in de intensieve veehouderij is een voor de hand liggende methode. Daar is geld van Rijk en de provincie bij nodig. Met de hoge prioriteit die dit dossier bij het nieuwe kabinet Rutte IV heeft, zal dat geld er ongetwijfeld komen, maar de vraag is waar precies en onder welke voorwaarden. Ook de onderhandelingen over de ‘vrijwillige’-uitkoop zijn niet volgende week klaar. Dus hier ligt een stevige uitdaging voor de komende jaren, vooral omdat dit dossier raakt aan andere topdossiers als de woningbouw en bereikbaarheid.