Van Christaller naar meer agglomeratiekracht

| 25 februari 2021

Tijdens de recente winterse dagen kwam op Twitter een satellietfoto voorbij van een besneeuwde Noordoostpolder, voorzien van de woorden “mooi zicht op de Christallertheorie in praktijk”. En inderdaad is mooi te zien hoe die polder is ingericht volgens deze centrale plaatsentheorie. Emmeloord als centrale plaats, omgeven door kleinere kernen op bijna dezelfde afstand.

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Christaller in de Noordoostpolder

Christaller’s theorie van hiërarchie van voorzieningen was indertijd in Nederland populair onder planners en is vanaf de inrichting van de Noordoostpolder tot en met het Vinex onderlegger geweest van ruimtelijke beleid. Maar heeft het gewerkt, vraagt economisch-geograaf Pieter Tordoir zich af in zijn hoofdstuk over economische visies op de stad in het zeer recent uitgegeven De wereld van de stad. Theorie, praktijk, toekomst onder redactie van Gert-Jan Hospers en Piet Renooy.

Centrumstedelijke kwaliteit is een attractie op zichzelf

Nederlandse planologen en stedenbouwers houden volgens Tordoir maar weinig rekening met concurrentiegedrag. “De nette Christalleriaanse verdeling stort in zodra brave dienstenverzorgers zich ontpoppen als gretige ondernemers”. Volgens de ‘wet van Hotelling’ zoeken concurrenten elkaar juist op: schoenenverkopers vestigen zich in een winkelstraat met veel schoenenwinkels! Deze wet is een belangrijke verklaring voor centrumstedelijke kwaliteit: omvang, diversiteit en dichtheid.

Centrumstedelijke kwaliteit is dus een attractie op zichzelf waardoor de grondprijzen concentrisch afnemen naarmate de afstand tot het centrum toeneemt (Von Thünens grondrentetheorie uit 1826). De Amerikaanse ruimtelijk econoom Alonso werkt deze theorie in de jaren ’60 van de vorige eeuw verder uit tot het principe van de bid rent curve, wat een monocentrische stadsstructuur verklaart.

Het voert voor een blog te ver dit nader te expliceren. Bovendien heeft Tordoir het mooi, overzichtelijk en helder opgeschreven in dat nieuwe boek.  Maar interessant is de klassieke gedachten nog eens te bekijken en te gebruiken in de huidige discussies over polycentrische steden (Utrecht, Amsterdam), polycentrische metropoolregio’s en de roep om een nieuwe ‘gebundelde deconcentratie’ (voormalig rijksbouwmeester Alkemade, Denkwerk, bouwlobby, TU Delft).

Daar waar hoge vervoerskosten in het geding zijn zoals zorg, onderwijs en zakelijke en persoonlijke dienstverlening die frequent face to face contacten vergen, ontstaan monocentrische steden, zo lees ik. “Omdat juist deze sectoren steeds meer overheersen in de werkgelegenheid van onze geavanceerde samenleving, wordt de oudste ruimtelijk-economische theorie in de moderne praktijk eigenlijk alleen maar belangrijker”, aldus Tordoir.

Bijkomend: nieuwe stedelijke centra om binnensteden te ontlasten zijn derhalve een contradictie in terminis. Na jarenlange observaties kan ik niet anders concluderen dat nevencentra juist bestaan bij de gratie van een succesvolle binnenstad. En dan alleen nog als ze deel uitmaken van de (groeiende) urban fabric. Pas dan profiteert het ‘nevencentrum’ van borrowed size.

Stevige agglomeraties en stevige binnensteden zijn een noodzakelijke voorwaarde voor toename van brede welvaart

Geldt borrowed size dan wel in een regio met meer steden. Veel ruimtelijk economen rekenen af met de redenering dat steden bij gebrek aan een sterke agglomeratie door goede verbindingen kunnen lenen van de kracht van naburige steden. Dat zou de meerwaarde zijn van de polycentrische metropoolregio. Voor de Randstad werkt het in elk geval niet. In een centrumstedelijk gerichte economie is een krachtige metropool noodzakelijk.

Maar naast agglomeratievoordelen zijn er toch ook agglomeratienadelen? Zeker. Meestal wordt dan gewezen op congestie en milieuvervuiling. Maar afnemend autogebruik en -bezit, investeringen in openbaar vervoer, e-bikes, vervoer over water en strenge milieueisen zullen die nadelen op den duur ruim verminderen.

Het lijken me belangrijke discussies, waarbij planologen en stedenbouwers niet opnieuw en alweer concurrentiegedrag mogen veronachtzamen. Na mijn beroepsmatige observaties en hernieuwde kennismaking met de oude ruimtelijk economen neem ik mijn positie in het debat alvast in: stevige agglomeraties en stevige binnensteden zijn een noodzakelijke voorwaarde voor toename van brede welvaart. Zij bieden optimale schaalvoordelen.

Jos Gadet, hoofdplanoloog bij Gemeente Amsterdam